Cassatie bevestigt: btw-vrijstelling uitvoer kan niet gekoppeld worden aan een termijn waarbinnen de uitvoer moet plaatsvinden
Artikel 39, § 1, 2° Wbtw voorziet in een btw-vrijstelling voor de levering van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privégebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen.
Een Belgische btw-plichtige die als commissionair handelt bij de verkoop van een paard dat bij hem in België was gestald door de eigenaars, past op zijn verkoop voormelde vrijstelling toe. De koper is een Amerikaanse vennootschap die het vervoer van het paard naar de Verenigde Staten voor haar rekening zou nemen. Het paard werd na de verkoop in mei 2017 overgebracht naar een stal in Nederland. In november 2017 wordt het paard van daaruit vervoerd naar de Verenigde Staten.
De fiscus weigert de btw-vrijstelling omdat het temporele en het materiële verband tussen de levering van het paard en de uitvoer ervan buiten de Gemeenschap werd verbroken. Dat het paard uiteindelijk werd uitgevoerd buiten de Gemeenschap, daarover bestaat geen discussie.
De rechtbank in eerste aanleg gaf de fiscus gelijk (Antwerpen dd. 07.03.2022). Ook al voorziet de btw-wetgeving geen specifieke uitvoertermijn waarbinnen het transport van de uitvoer moet gebeuren, de uitvoer moet volgens de rechtbank in elk geval plaatsvinden binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren van op de plaats waar ze ter beschikking van de afnemer worden gesteld tot op het douanekantoor van uitgang waar ze de Europese Unie verlaten. Er moet dus wel degelijk een voldoende materiële en temporele band zijn tussen de levering van het goed en de uitvoer ervan (zie ook HvJ, C-84/09 dd. 18.11.2010).
Het hof van beroep hervormde de uitspraak van eerste aanleg (Antwerpen dd. 20.06.2023). Noch artikel 39 Wbtw, noch KB 18 voorzien voor de btw-vrijstelling wegens uitvoer in een termijn waarbinnen de uitvoer moet plaatsvinden. Evenmin leggen die bepaling de voorwaarde op dat de uitvoer moet gebeuren onmiddellijk na de terbeschikkingstelling en in elk geval binnen de termijn die strikt nodig is voor de uitvoer van het goed. Die voorwaarde is enkel terug te vinden in de aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001 (randnr. 60). Deze aanschrijving voegt volgens het hof dan ook een voorwaarde toe aan de wet wat in strijd is met het legaliteitsbeginsel.
Omdat dat de echtheid van de uitvoer van het paard is bewezen, wat ook door de administratie wordt aanvaard, is volgens het hof voldaan aan de voorwaarden voor de btw-vrijstelling wegens uitvoer. Het verwijst hierbij nog naar rechtspraak van het Europese Hof van Justitie waarin werd geoordeeld dat de btw-richtlijn de vrijstelling wegens uitvoer niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het goed het grondgebied van de Unie binnen een bepaalde termijn moet verlaten (C-563/12 dd. 19.12.2013).
Uit het arrest van het Europese Hof waar de rechtbank van eerste aanleg naar verwees (C-84/09 dd. 18.11.2010), kan volgens het hof van beroep niet worden afgeleid dat de uitvoervrijstelling afhankelijk kan worden gesteld van de onmiddellijke uitvoer dan wel de uitvoer binnen een termijn die er strikt voor nodig is. Dat arrest gaat over de intracommunautaire levering van een voertuig, wat volgens het hof onderscheiden moet worden van de uitvoer van een goed dat geen voertuig is.
De fiscus diende Cassatieberoep in tegen dit arrest. Maar het Hof bevestigt de uitspraak van het hof van beroep. Geen enkele wettelijke bepaling legt voor de btw-vrijstelling bij uitvoer een termijn op waarbinnen na de levering het goed moet worden uitgevoerd.
De fiscus haalde ook nog de artikelen 16 en 17 Wbtw aan over de opeisbaarheid van btw. Maar die zijn volgens het Hof niet relevant omdat de vrijstelling voor uitvoer het belastbaar feit neutraliseert.
Wat betreft de aangehaalde rechtspraak van het Europese Hof en de aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001 komt het Hof van Cassatie tot dezelfde besluiten als het hof van beroep.
Cassatie, rolnr. F.23.0108.N, 23 oktober 2025










