Fiscus krijgt gelijk: btw-herziening bij vrijgestelde verhuur aan overnemer onderneming

Een uitbater van een tuincentrum draagt zijn handelszaak over en verhuurt het gebouw aan de overnemer. De overdracht gebeurde vóór 2019, toen optionele btw-belastbare verhuur nog niet mogelijk was. Omdat de overdrager het gebouw verhuurt met vrijstelling van btw, moet hij volgens de fiscus zijn btw-aftrek op dat gebouw herzien. Ten onrechte volgens de overdrager, omdat de overnemer het gebouw ononderbroken verder blijft gebruiken voor de btw-activiteiten ingevolge de overdracht van de handelszaak met toepassing van artikel 11 Wbtw.

Het Gerecht van de Europese Unie volgt de fiscus. Omdat het gebouw na de overdracht van de handelszaak met vrijstelling van btw wordt verhuurd, en dus vanaf dan wordt gebruikt voor een handeling die geen recht op aftrek geeft, moet de op dat gebouw afgetrokken btw voor de nog lopende jaren van de herzieningstermijn worden teruggestort.

Dat die vrijgestelde verhuur kadert in een overdracht van een handelszaak onder toepassing van artikel 11 Wbtw verandert niets aan die conclusie. De huur zelf maakt geen deel uit van de overdracht van de handelszaak, het is een nieuw recht dat naar aanleiding van die overdracht wordt gecreëerd.

Met haar arrest stelt het Gerecht een einde aan een decennialange discussie in de Belgische btw-praktijk. Maar dat betekent niet dat er altijd een btw-herziening moet gebeuren als het bedrijfsgebouw geen deel uitmaakt van de overdracht van een algemeenheid of bedrijfstak. Er zijn alternatieven mogelijk, zelfs als een optionele btw-verhuur geen optie is.

Gerecht EU, T‑397/25, DECO, 2 september 2026

Geen btw verschuldigd op tijdelijk gebruik als co development car van een voor de verkoop bestemd voertuig

Als een btw-plichtige autoverkoper een wagen uit zijn voorraad neemt om die zelf duurzaam te gebruiken, dan wordt die volgens de fiscus in gebruik genomen als bedrijfsmiddel. Bijgevolg is de btw-plichtige hierover btw verschuldigd op basis van artikel 12, § 1, 3° Wbtw (ingebruikname van een goed als bedrijfsmiddel dat niet als bedrijfsmiddel werd verkregen en waarvoor bij verkrijging de btw minstens gedeeltelijk aftrekbaar was). Of er werkelijk zo’n ingebruikname is, dat is een feitenkwestie waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval.

Voor verkopers van voertuigen heeft de fiscus in 2006 al beslist (beslissing nr. E.T. 107.150 dd. 15.05.2006) dat een uitzonderlijk gebruik voor korte duur van een voor de verkoop bestemd voertuig door een constructeur van of een handelaar in dat voertuig, voor proefritten met het oog op de verkoop ervan, niet onder voormelde ingebruikneming valt en dus geen btw-gevolgen heeft (het voertuig blijft exclusief bestemd voor de verkoop).


Co development car: geen belastbare onttrekking

In een nieuwe circulaire laat de fiscus nu weten dat ook ‘co development cars’ dezelfde regeling genieten. Het gaat hier om voertuigen die door constructeurs of verbonden ondernemingen tijdelijk worden ingezet in het kader van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Dat is volgens de fiscus het geval voor voertuigen die in het bijzonder minstens twee van volgende kenmerken vertonen:

  • uitgerust met testapparatuur gebruikt voor dataverzameling en analyse;
  • frequent gebruik maken van niet productieklare software en/of hardware – de software kan geïnstalleerd worden via draadloze updates of via werkplaatsbezoeken, maar wordt niet continu geactiveerd om vergelijkende tests te kunnen uitvoeren;
  • continu onderworpen aan tests in reële gebruiksomstandigheden;
  • vereisen van regelmatige technische interventies en werkplaatsbezoeken;
  • gebruik door bestuurders gaat gepaard met monitoring en/of rapporteringsverplichtingen;
  • beperkte duurtijd van de onderzoek- en ontwikkelingsfase van de wagen die is afgestemd op de specifieke noden van het onderzoek;
  • tijdens de testfase niet geschikt voor productie/verkoop omwille van de voor de test ondergane wijzigingen – de bedoeling van de constructeur blijft om het voertuig op het einde van de testfase alsnog te verkopen waardoor het voertuig na afloop van de testfase opnieuw in verkoopbare staat wordt gebracht.

Wordt een voertuig als zo’n co development car gebruikt, dan betekent dit voor de toepassing van de btw dat:

  • er geen sprake is van een met btw te belasten ingebruikneming in de zin van artikel 12, § 1, lid 1, 3° Wbtw;
  • de btw op deze voertuigen gedurende de testfase volledig aftrekbaar is (ze worden geacht volledig voor de btw-activiteiten te zijn gebruikt en de 50%-beperking van artikel 45, § 2 Wbtw is niet van toepassing tijdens de testfase).

De duur van de testfase is op zich geen doorslaggevend criterium zolang het gebruik van het voertuig zijn karakter van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteit behoudt en de co development car niet langer dan nodig voor deze onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten wordt ingezet.

De beoordeling dat het voertuig wordt gebruikt als een co development car zoals hiervoor omschreven, gebeurt op basis van de feitelijke omstandigheden. Daarover geeft de fiscus nog mee dat:

  • de nummerplaat waaronder een voertuig wordt gebruikt geen invloed heeft op het al of niet moeten belasten met btw van een ingebruikneming van het voertuig als bedrijfsmiddel;
  • door de inschrijving van een voertuig bij de DIV een feitelijk vermoeden ontstaat van een met btw te belasten ingebruikneming, tenzij de btw-plichtige het tegendeel aantoont;
  • de boekhoudkundige verwerking (al dan niet opname als investeringsgoed of vast actief) geen doorslaggevend criterium vormt.


Ingebruikname als bedrijfsmiddel na testfase

Als het voertuig na die testfase toch duurzaam als bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen, dan is er wel weer sprake van een met btw te belasten ingebruikneming in de zin van artikel 12, § 1, 3° Wbtw.

Daarop kan dan eventueel de bijzondere regeling voor directiewagens worden toegepast (aanschrijving nr. 9 dd. 30.07.1985). Die houdt in dat er onder bepaalde voorwaarden op de te belasten ingebruikneming geen btw, btw op een beperkte maatstaf of btw over de aankoopprijs verschuldigd is naargelang het voertuig:

  • wordt verkocht binnen de drie maand na de ingebruikneming als bedrijfsmiddel;
  • wordt verkocht binnen de 18 maanden (uiterlijk 31 december van het jaar dat volgt op dit van het in verkeer brengen), doch na drie maanden na de ingebruikneming als bedrijfsmiddel;
  • niet is verkocht binnen de 18 maanden (uiterlijk 31 december van het jaar dat volgt op dit van het in verkeer brengen) na de ingebruikneming als bedrijfsmiddel.


Fisconetplus, circulaire 2026/C/17, 1 juli 2026

Wetsontwerp verhoging omzetdrempel vrijstelling kleine onderneming ingediend

In de Kamer is een wetsontwerp ingediend dat onder meer de omzetdrempel voor de toepassing van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen (artikel 56bis-56undecies Wbtw) over vijf jaar gespreid moet optrekken van 25.000 naar 30.000 euro. Daartoe wordt artikel 56ter Wbtw vanaf 1 januari 2027 aangepast met de volgende omzetdrempel:

  • 26.000 euro voor het jaar 2027;
  • 27.000 euro voor het jaar 2028;
  • 28.000 euro voor het jaar 2029;
  • 29.000 euro voor het jaar 2030;
  • 30.000 euro voor het jaar 2031 en de daaropvolgende jaren.

Het ontwerp voorziet enkel in voormelde drempelverhoging. Er is geen aanpassing voorzien aan artikel 56decies Wbtw dat bepaalt dat als de drempel in een vorig jaar is overschreden, de btw-plichtige minstens één jaar van de vrijstellingsregeling is uitgesloten. Dat betekent dat als een vrijgestelde kleine onderneming bijvoorbeeld in het jaar 2026 een in aanmerking te nemen omzet realiseert van 25.700 euro, hij dat jaar onder de vrijstellingsregeling kan uitdoen (overschrijding van niet meer dan 10%), maar in het jaar 2027 van de vrijstellingsregeling is uitgesloten, terwijl voor dat jaar de drempel 26.000 bedraagt. De vraag is of dit wel de bedoeling van de wetgever is?

De Raad van State had geen opmerkingen bij deze bepalingen.


Kamer 2025-2026, doc. 1593/001, 15 juni 2026

Fiscus legt zich neer bij verlaagd btw-tarief voor gebouw buitenschoolse kinderopvang

Rubriek XL van tabel A KB 20 voorziet in een verlaagd btw-tarief van 6% op onder meer het werk in onroerende staat met betrekking tot gebouwen bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a) Wbtw is vrijgesteld.

Het Hof van Cassatie (F.24.0044.N dd. 22.01.2026) bevestigde een arrest van het hof van beroep in Gent (rolnr. 2022/AR/421 dd. 10.10.2023) waarin werd geoordeeld dat een gebouw voor buitenschoolse opvang voor leerlingen van het gemeentelijk kleuter en lager onderwijs ook onder dit verlaagd tarief kan vallen. Volgens het hof is de buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs onontbeerlijk voor het door de gemeente verstrekte onderwijs. Deze opvang is als een dienst die nauw samenhangt met de dienst van het onderwijs ook bedoeld in de vrijstelling van artikel 44, § 2, 4°, a) Wbtw, en dus komt het voor het voormeld verlaagd btw-tarief in aanmerking.

De fiscus, die het Cassatieberoep aantekende, legt zich nu bij deze rechtspraak neer. Volgens de fiscus blijkt uit het arrest dat ‘buitenschoolse kinderopvang’ moet worden aangemerkt als een ‘nauw met onderwijs samenhangende dienst’ in de zin van artikel 44, § 2, 4°, a) Wbtw, maar daarvoor is onder meer vereist dat de buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs ‘onontbeerlijk’ is om dat onderwijs te kunnen aanbieden. De fiscus gaat in zijn circulaire niet in op de term ‘onontbeerlijk’. Verder is vereist dat de opvang op schooldagen maar buiten de schooluren wordt georganiseerd door een publiekrechtelijk lichaam of door een organisatie die als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt aangemerkt.

De nieuwe circulaire vervangt in het bijzonder het voorbeeld onder nummer 27 van de circulaire 2018/C/6 van 18 januari 2018 door te stellen dat als de gemeente zelf in het gebouw de buitenschoolse opvang organiseert voor zowel het gemeentelijk onderwijs, gemeenschapsonderwijs als het vrij onderwijs in de buurt, dan komen bijvoorbeeld de schilderwerken aan de lokalen van dat gebouw nu wel in aanmerking voor het voormeld verlaagde btw-tarief, als dat gebouw hoofdzakelijk wordt gebruikt voor vrijgestelde onderwijsdiensten of nauw daarmee samenhangende diensten of leveringen van goederen.

Opvang van kinderen jonger dan 2,5 jaar (crèches), vakantiewerking, jeugdhuiswerking, speelpleinwerking enzovoort zijn volgens de fiscus niet bedoeld onder ‘nauw met onderwijs samenhangende diensten’.

Voor de toepassing van voormeld verlaagd btw-tarief benadrukt de fiscus nogmaals dat het gebouw hoofdzakelijk moet worden gebruikt voor vrijgesteld onderwijs en nauw met dat onderwijs samenhangende diensten. Bij gemengd gebruik van het gebouw moet dus een hoofdzakelijkheidstoets gebeuren.

Btw-plichtigen die ingevolge dit nieuwe standpunt in het verleden ten onrechte het normale btw-tarief van 21% zouden hebben toegepast, kunnen op grond van artikel 77, § 1, 1° Wbtw in principe een recht op teruggaaf uitoefenen overeenkomstig de normale regels. In dat geval zal de fiscus waarschijnlijk van de leverancier/dienstverrichter eisen dat hij aan zijn medecontractant de te veel aangerekende btw terugbetaalt.


Fisconetplus, circulaire 2026/C/67, 16 juni 2026

BTW en transfer pricing: waarom er géén algemene regel bestaat

Recent deed het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak in de zaak Stellantis Portugal (C-603/24). De kernvraag: is een periodieke verrekenprijsaanpassing tussen fabrikant en distributeur een aanpassing van de verkoopprijzen van de auto’s of een afzonderlijke vergoeding voor een btw-belaste dienst?

Het korte, en te verwachten antwoord: alles hangt af van de feiten en omstandigheden.


De casus in een notendop

GMP (distributeur voor General Motors in Portugal, nu Stellantis) droeg de kosten binnen de garantietermijn voor auto’s die door onafhankelijke dealers werden gerepareerd. Deze kosten werden verrekend in de periodieke transferprijzen tussen de fabrikant (OEM) en GMP. Via credit- en debetnota’s werd de inkoopprijs van de auto’s achteraf gecorrigeerd, zodat GMP de vooraf bepaalde winstmarge op de doorverkoop realiseerde.

De Portugese fiscus betwistte deze behandeling als correctie van de inkoopprijs. Volgens hen had GMP btw moeten aangeven en betalen over de door haar voor de fabrikant verrichte hersteldiensten.


Wat zegt het Hof van Justitie?

  • Geen automatisme: In de eerdere zaak Arcomet Towercranes (2025) oordeelde het Hof nog dat een transferpricing-aanpassing wél een btw-belaste dienst kon zijn. Maar in de Stellantis-zaak ligt dat anders.
  • Geen rechtstreeks verband: Het Hof ziet in de voorgelegde overeenkomst geen verplichting voor GMP om reparatiediensten aan de fabrikant te leveren. Omdat de vergoeding gekoppeld is aan een winstmarge en niet aan de specifieke reparaties, is het verband tussen de betaling en de ‘dienst’ hoogstens indirect. Het is nu aan de Portugese rechter om te beoordelen of er eventueel andere feiten zijn waaruit blijkt dat de prijsaanpassingen wél de werkelijke tegenprestatie vormen voor verrichte hersteldiensten.
  • Kwalificatie: Is de prijsaanpassing inderdaad een correctie achteraf van de inkoopprijs van de voertuigen? Dan moet de Portugese rechter de impact ervan op de maatstaf van heffing beoordelen.


De belangrijkste conclusie voor de praktijk

Er bestaat geen algemene, kant-en-klare regel voor de btw-behandeling van transfer pricing-aanpassingen. Waar de fiscus of financials soms snel geneigd zijn om credit- of debetnota’s in een vast btw-hokje te plaatsen, herinnert het Hof ons eraan dat de btw-analyse altijd op basis van de volledige en specifieke feiten moet gebeuren. Hierbij is de contractuele rechtsbetrekking doorslaggevend.

De grens tussen een prijsaanpassing en een belaste dienst blijft dus flinterdun.


HvJ, C-603/24, Stellantis Portugal, 13 mei 2026

Klantenseminarie juni 2026

Beste abonnee,
 

Je kan nu inschrijven voor ons klantenseminarie van juni 2026. Dat gaat door op de volgende tijdstippen en locaties:

  • dinsdag 9 juni 2026 van 16h tot 19h in Langdorp –Sparrenhof (Elsleukenstraat 28);
  • donderdag 11 juni 2026 van 16h tot 19h in Malle – Café De Trappisten (Antwerpsesteenweg 487) – het aantal deelnemers is beperkt tot 50;
  • donderdag 18 juni 2026 van 16h tot 19h in Bachte-Maria-Leerne – Brasserie De Sterre (Ooidonkdreef 16).

Tijdens het seminarie worden onder meer behandeld:

  • de ‘peppol’-factuur vanaf 2026: stand van zaken;
  • de nieuwe fase van de btw-ketting;
  • update over de verhuur van gemeubeld logies;
  • mogelijke versoepeling voor 6% afbraak en heropbouw;
  • btw-regels voor de zelfstandige die werkt voor een verzekeringskantoor;
  • de emanatietheorie voor opdrachthoudende verenigingen onder vuur;
  • laatste btw-ontwikkelingen;
  • …

Zoals steeds is het klantenseminarie gratis voor één persoon per abonnee. Bijkomende inschrijvingen aan 75 euro per persoon, exclusief btw. Voor de opleiding worden ITAA-attesten uitgereikt.

Klik hier voor het inschrijvingsformulier en tot binnenkort op één van de locaties.

Fiscus publiceert handleiding bij de nieuwe btw-ketting

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de volgende fase van de nieuwe btw-ketting op 1 mei 2026 publiceert de fiscus een handleiding over de belangrijkste wijzigingen ingevolge de nieuwe btw-ketting. Ze bestaat uit vier delen:

  • tijdig ingediende en betaalde btw-aangiften;
  • laattijdige aangiften of betalingen, btw-schulden, enzovoort;
  • aanvang nieuwe activiteit waardoor periodieke btw-aangiften moeten worden ingediend;
  • stopzetting btw-activiteiten of enkel nog activiteiten zonder indieningsplicht periodieke btw-aangiften.


Tijdig ingediende en betaalde btw-aangiften

Het verschil met de oude regeling is dat de betalingen van de aangiften en van vrijwillige voorschotten vanaf 1 mei 2026 gebeuren op rekening BE41 6792 0036 4210 (TVABTW) met gebruik van de huidige gestructureerde mededeling die is gebaseerd op het ondernemingsnummer. Deze bedragen komen dan op de btw-provisierekening. De fiscus raad aan om alle betalingen online via MyMinfin te doen. Tot 31 december 2026 worden alle betalingen op de oude bankrekening automatisch naar de nieuwe rekening doorgestuurd.

Ook btw-tegoeden in aangiften die niet teruggevraagd worden of waarvoor niet voldaan is aan de voorwaarden voor terugbetaling, worden ingeschreven op de btw-provisierekening, en dit vóór de vervaldatum van de volgende periodieke btw-aangifte.

Voorbeelden

  • btw-maandaangifte over juni met tegoed in rooster 72 ingediend vóór 20 juli: het btw-krediet wordt ten laatste op 20 augustus ingeschreven in de btw-provisierekening en kan dus gebruikt worden voor de betaling van de aangifte over de maand juli te betalen;
  • btw-aangifte over het tweede kwartaal met tegoed in rooster 72 ingediend vóór 25 juli: het btw-krediet wordt ten laatste op 25 oktober in de btw-provisierekening ingeschreven en kan dus gebruikt worden voor de betaling van de aangifte over het derde kwartaal.

De fiscus zal de op de btw-provisierekening beschikbare bedragen automatisch gebruiken voor het betalen van de verschuldigde btw die volgt uit de ingediende periodieke btw-aangiften.

Ingevolge de overgang van de btw-rekening-courant naar de btw-provisierekening zullen beschikbare tegoeden op de btw-rekening-courant vóór 20 mei 2026 automatisch overgeboekt worden naar de btw-provisierekening (volgens een eerder bericht enkel als alle aangiften uiterlijk 30 april 2026 zijn ingediend).

De btw-provisierekening kan worden geraadpleegd op MyMinfin: ‘Mijn betalingen’ → ‘Mijn provisies beheren’. Ook de te betalen btw-aangiften kunnen op MyMinfin geraadpleegd worden: ‘Mijn betalingen’ → ‘Mijn huidige schulden en terugbetalingen raadplegen’. Eens betaald, zijn deze aangiften niet langer zichtbaar in dit overzicht.

De fiscus herinnert er nog eens dat voor maandaangevers de indienings- en betalingsdeadline, de 20ste van de volgende maand, wordt verlengd naar de volgende werkdag als die 20ste een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is. Voor kwartaalaangevers is er geen verlenging van de indienings- en betalingsdeadline, dat is steeds de 25ste van de maand die volgt op het betrokken kwartaal.

Teruggave van het btw-tegoed in rooster 72 van de periodieke btw-aangifte wordt gevraagd door in die aangifte het vakje ‘aanvraag tot terugbetaling’ aan te vinken. Die aanvraag slaat enkel op dat tegoed in rooster 72. De terugbetaling gebeurt:

  • voor maandindieners: op het einde van de tweede maand volgend op de aangifteperiode;
  • voor kwartaalindieners: op het einde van de derde maand volgend op de aangifteperiode.

Wordt die teruggaaf niet gevraagd, of als ze wel wordt gevraagd maar er is niet voldaan aan alle voorwaarden om die terugbetaling te krijgen, dan wordt het tegoed in rooster 72 ingeschreven in de btw-provisierekening. Btw-plichtigen kunnen op elk moment een terugbetaling vragen van een deel van of het gehele tegoed op de btw-provisierekening. Ook dat gebeurt via MyMinfin: ‘Mijn betalingen’ → ‘Mijn provisies beheren’ → ‘Wat wilt u doen?’ → ‘De terugbetaling van mijn provisies vragen’. Deze terugbetaling gebeurt:

  • aan het einde van de maand waarin tussen de 1ste en de 15de van die maand de terugbetaling is gevraagd;
  • op de 15de van de maand die volgt op de maand waarin tussen de 16de en de 31ste ervan de terugbetaling is gevraagd.

Weet dat bij een aanvraag tot terugbetaling, zowel via de aangifte als via de btw-provisierekening, de fiscus het teruggevraagd bedrag eerst gebruikt om andere schulden af te lossen. Het eventuele saldo wordt uitbetaald. De fiscus zal de btw-plichtige steeds informeren van zo’n toewijzing via een toewijzingsmelding.


Laattijdige aangiften of betalingen, btw-schulden, enzovoort

Het laattijdig indienen van de periodieke btw-aangifte en/of het laattijdig betalen van de verschuldigde btw, leidt tot boetes en eventuele nalatigheidsinteresten. En in het slechtste geval nog tot bijkomende vervolgingskosten. Het is dus belangrijk om tijdig voldoende provisie te hebben op de btw-provisierekening. Dat gebeurt zoals vermeld hiervoor. En volgens de fiscus is laattijdig indienen nog altijd beter dan niet indienen, want dit beperkt de hoogte van de toepasselijke boetes en voorkomt de opmaak van een vervangende aangifte.

Het laattijdig indienen van een btw-aangifte met niet meer dan vijf maanden vertraging, wordt bestraft met een boete van 100 euro per maand vertraging met een maximum van 500 euro. Voor het niet indienen van de btw-aangifte (vanaf meer dan vijf maanden te laat) is voorzien in een progressieve boete (afdeling 1, rubriek I, A KB 44 nieuw), waarbij de fiscus rekening houdt met de inbreuken begaan tijdens de afgelopen 4 jaar:

  • 500 euro voor de eerste overtreding;
  • 1.250 euro voor de tweede overtreding;
  • 2.500 euro voor de derde overtreding;
  • 5.000 euro per elke volgende overtreding.

Bovendien leidt het niet indienen van een btw-aangifte tot een procedure van vervangende btw-aangifte.

Als een btw-aangifte met een tegoed in rooster 72 te laat wordt ingediend, dan zal dat tegoed, ongeacht of het wel of niet is teruggevraagd, ingeschreven worden in de btw-provisierekening. Die inschrijving gebeurt uiterlijk op het einde van de tweede (maandaangever) of de derde (kwartaalaangever) maand die volgt op de maand waarin de btw-aangifte laattijdig werd ingediend (artikel 81, § 2, lid 2 KB). Volgens de handleiding gebeurt die inschrijving echter uiterlijk naargelang het geval na twee of drie maanden na de laattijdige indiening.

Voorbeelden

  • btw-maandaangifte over juni met tegoed in rooster 72 ingediend op 16 augustus: het btw-krediet wordt uiterlijk op 16 oktober ingeschreven in de btw-provisierekening;
  • btw-aangifte over het tweede kwartaal met tegoed in rooster 72 ingediend op 16 augustus: het btw-krediet wordt uiterlijk op 16 november ingeschreven in de btw-provisierekening.

Betalingen van te laat ingediende btw-aangiften gebeuren in principe ook op rekening BE41 6792 0036 4210 (TVABTW) met gebruik van de huidige gestructureerde mededeling die is gebaseerd op het ondernemingsnummer. Maar van zodra de schuld is opgenomen in een uitvoerbare titel moet er betaald worden op het bankrekeningnummer dat in het betaalbericht wordt vermeld. De fiscus raadt trouwens aan dat bij elk betaalbericht de erin vermelde instructies worden gevolgd.

Als de aangifte niet op tijd wordt betaald dan stuurt de fiscus een eerste betaalbericht, met informatie over het bedrag dat nog verschuldigd is en de toepasselijke interesten. Is dit bedrag niet betaald vóór de 10de van de maand na de betaaldatum, dan wordt er een boete opgelegd voor niet-betaling:

  • aangifte tijdig ingediend: 5% van de verschuldigde btw.
  • aangifte te laat ingediend: 10% van de verschuldigde btw.

De btw-plichtige wordt dan geïnformeerd door een tweede betaalbericht.

Blijft de betaling uit, dan neemt de fiscus de schuld op in een uitvoerbare titel en start hij invorderingsprocedures op waarbij de btw-plichtige een nieuwe uitnodiging tot betalen ontvangt. Betalingen vanaf dat moment moeten gebeuren op het rekeningnummer BE42 6792 0000 0054 (FOD Financiën).

En als een voorlopige vervangende aangifte definitief wordt, dan zal de fiscus voor de betaling hiervan automatisch de tegoeden gebruiken die beschikbaar zijn op de btw-provisierekening. Is er onvoldoende provisie dan moet de btw-plichtige het verschil betalen op rekening BE41 6792 0036 4210 (TVABTW). Was er onvoldoende saldo op de btw-provisierekening op de datum waarop de ontbrekende aangifte ingediend had moeten zijn, dan zijn er ook nalatigheidsinteresten verschuldigd.

Ook hier zal de fiscus, als de volledige schuld, inclusief interest, niet is voldaan, een betalingsbericht sturen met informatie over het bedrag dat nog verschuldigd is en de toepasselijke interesten. Blijft de betaling uit dan neemt de fiscus de schuld op in een uitvoerbare titel en start hij invorderingsprocedures op. De btw-plichtige ontvangt dan een innings- en invorderingsbericht vergezeld van een aanmaning. Betalingen vanaf dat moment moeten gebeuren op het rekeningnummer: BE42 6792 0000 0054 (FOD Financiën).

Boetes voor laattijdige of niet-indiening en schulden ingevolge een controle van het btw-tegoed moeten ook op deze rekening betaald worden, net zoals de betalingen na 30 april van het saldo van de btw-rekening-courant.

Voor alle andere schulden stuurt de fiscus een betalingsbericht waarin het juiste rekeningnummer wordt meegedeeld.


Stopzetting btw-activiteit

Stopt een btw-plichtige zijn activiteiten vóór 1 mei 2026, dan wordt een tegoed op de btw-rekening-courant volgens de oude voorwaarden terugbetaald. Is er een door de btw-plichtige te betalen saldo, dan ontvangt hij een betaalbericht om deze schuld af te lossen.

Stopt een btw-plichtige zijn activiteiten na 1 mei 2026 met een tegoed op de btw-provisierekening, dan wordt dit aan hem terugbetaald na eventuele verrekening van andere schulden. Die terugbetaling wordt binnen de maand verwerkt als de btw-plichtige het verzoek tot terugbetaling zelf indient via de provisierekening. Vraagt de btw-plichtige het tegoed niet zelf terug, dan gebeurt de terugbetaling automatisch binnen de zes maanden na de kennisgeving van de stopzetting van uw activiteiten.


FOD Financiën, Handleiding nieuwe btw-ketting

​Fiscus bevestigt dat gemengd btw-plichtige KMO’s die werkelijk gebruik toepassen geen bijzondere verhoudingsgetallen moeten meedelen

Op 4 juli 2025 liet de fiscus weten dat gemengd btw-plichtige KMO’s die het werkelijk gebruik toepassen, niet langer verplicht zijn om bijkomende detailinformatie over de uitoefening van hun recht op btw-aftrek in hun btw-aangifte op te nemen.

Het gaat dan in eerste instantie om de procentuele toewijzing van de aangerekende btw aan:

  • de kosten voor de activiteiten waarvoor recht op aftrek bestaat;
  • de kosten voor de activiteiten waarvoor geen recht op aftrek bestaat;
  • de gemengde kosten.

De fiscus heeft nu ook nog eens expliciet bevestigd dat deze btw-plichtigen evenmin gehouden zijn om hun bijzonder(e) verhoudingsgetal(len) mee te delen.

Nihillisting kleine onderneming: één maand uitstel

Vrijgestelde kleine ondernemingen die geen individuele klanten moeten vermelden op de jaarlijkse klantenlisting (nihillisting), moeten vanaf dit jaar opnieuw een nihillisting indienen om langs die weg hun omzet van het verstreken kalenderjaar mee te delen. De deadline voor die listing is vandaag, 31 maart 2026. Maar de fiscus laat nu weten dat die deadline met een maand wordt verlengd. Volgens het bericht geldt dit uitstel voor de kleine ondernemingen die een nihillisting moeten indienen.

FOD Financiën, nieuwsbericht 31 maart 2026

Kleine ondernemingen: de nihil-klantenlisting is terug

De afgelopen jaren moesten vrijgestelde kleine ondernemingen geen klantenlisting indienen, en dus ook hun omzet niet meedelen, als zij geen individuele afnemers op hun klantenlisting moesten vermelden (nihil-klantenlisting). Met de wet van 21 maart 2024 is dit gewijzigd voor de handelingen verricht vanaf 1 januari 2025.

Als gevolg moeten ook alle in België gevestigde vrijgestelde kleine ondernemingen met een nihil-klantenlisting vanaf dit jaar weer jaarlijks hun omzet over het vorige jaar meedelen via de jaarlijkse klantenlisting, dit jaar in te dienen uiterlijk op 31 maart 2026.

De fiscus laat weten dat hij de vrijgestelde kleine ondernemingen hierover nog persoonlijk zal informeren via een brief en een melding in Intervat.

Volgende fase nieuwe btw-ketting vanaf 1 mei 2026

De fiscus laat weten dat vanaf 1 mei 2026 de volgende fase in de modernisering van de btw-ketting ingaat, wat het volgende inhoudt:

  • btw-plichtigen gaan hun financiële situatie eenvoudiger kunnen raadplegen en beheren op één plaats, MyMinfin;
  • de vakantieregeling wordt afgeschaft – dit jaar wordt als overgangsregeling geen boete wegens laattijdige indiening opgelegd als de aangifte wordt ingediend binnen de termijn van de oude vakantieregeling;
  • voor btw-betalingen komen er nieuwe rekeningnummers;
  • de aanvraag in de btw-aangifte tot terugbetaling van het btw-tegoed blijft beperkt tot het tegoed van die aangifte (via MyMinfin kan het tegoed van de btw-provisierekening teruggevraagd worden).

De btw-tegoeden op de rekening-courant op 30 april 2026 zullen automatisch overgeboekt worden naar de btw-provisierekening, als alle btw-aangiften op die datum zijn ingediend. Is dat niet het geval, dan geeft de fiscus een aantal weken de tijd om de ontbrekende aangifte(n) in te dienen waarna hij zal nagaan of het tegoed kan worden terugbetaald, of dat het moet worden aangewend voor een openstaande schuld.

Over betalingen via domiciliëring en het verdere verloop van deze modernisering zal de fiscus binnenkort meer informatie publiceren. Ook de btw-kalender van 2026 is nu beschikbaar op de website van de FOD Financiën.


FOD Financiën, nieuwsbericht, 4 maart 2026

Overgangsregeling voor btw-verhoging gemeubeld logies en kampeerplaatsen.

Naar aanleiding van de begrotingscontrole in november 2025, besliste de regering om extra inkomsten te halen uit btw-verhogingen van 6% naar 12% op gemeubeld logies, kampeerplaatsen, takeaway en toegang tot sport, cultuur en vermaak en een btw-verhoging van 12% naar 21% voor pesticiden. Ondertussen liet de Raad van State zich niet positief uit over de ontwerpteksten van de btw-verhogingen op takeaway, sport, vermaak en cultuur.

De Ministerraad heeft op 13 februari 2026 wel beslist om met de andere geplande btw-verhogingen door te gaan. Het gaat dan om het verschaffen van gemeubeld logies of een plaats om te kamperen en pesticiden. Hierover publiceerde de fiscus in afwachting van het koninklijk besluit al twee FAQ’s.


Gemeubeld logies en kampeerplaatsen

Aan wat onder gemeubeld logies en kampaarplaatsen valt, verandert er niets, het gaat enkel om een btw-verhoging vanaf 1 maart 2026.

In principe bepaalt het wettelijke tijdstip waarop de btw opeisbaar wordt of het oude (btw opeisbaar uiterlijk 28.02.2026), dan wel het nieuwe (btw opeisbaar vanaf 01.03.2026) btw-tarief moet worden toegepast. Het tijdstip van opeisbaarheid is in de regel het ontvangen van de betaling (B2C) of het uitreiken van de factuur (B2B).

De minister staat echter een overgangsregeling toe waarbij het tarief van 6% nog van toepassing blijft voor de btw die tussen 1 maart en 30 juni 2026 opeisbaar wordt en betrekking heeft op reservaties gemaakt uiterlijk op 28 februari 2026.

Ook bevestigt de administratie haar standpunt dat als er geen factuur moet worden uitgereikt omdat de klant een particulier is, maar de exploitant dit toch vrijwillig doet, dan mag hij voor het tijdstip van opeisbaarheid uitgaan van de factuurdatum, in plaats van de latere ontvangst van de betaling. Hij moet deze tolerantie dan wel toepassen op alle facturen aan particulieren uitgereikt voordat de betaling is ontvangen. Als de betaling gebeurt vóór de uitreiking van de factuur, dan wordt de btw opeisbaar bij ontvangst van de betaling.


Fisconetplus, FAQ, 17 februari 2026