Auteur: Jurgen Opreel

Btw-regels voor tankkaarten: fiscus neemt soepeler standpunt in dan het btw-comité

De lidstaten zijn het na grondige besprekingen binnen het btw-comité over het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak Vega (C-235/18 dd. 15.05.2019), bijna unaniem eens geworden dat de uitgever van een tankkaart (tankkaartmaatschappij) in principe geen brandstof levert maar een financiële dienst verricht (richtsnoer 1068 van het btw-comité dd. 06.09.2023).

De tankkaartmaatschappij zal wel geacht worden de brandstof zelf aan te kopen en zelf te verkopen als de volgende voorwaarden vervuld zijn:

  • de tankkaartmaatschappij moet eigenaar worden van de brandstof – dat houdt onder meer in dat zij ook het financiële risico naar de leverancier toe draagt als de kaarthouder uiteindelijk niet betaalt, dat zij ook het risico draagt voor de schade die de kaarthouder zou oplopen als er iets mis zou zijn met de brandstof en dat de tankkaartmaatschappij haar eigen prijzen zet naar de kaarthouder toe;
  • het moet dezelfde brandstof zijn die wordt aangekocht en verkocht;
  • er moet een overeenkomst bestaan tussen de tankkaartmaatschappij en de brandstofleverancier waarbij de tankkaartmaatschappij handelt in opdracht van de leverancier of in opdracht van de kaarthouder en waar geen verwijzing naar het verlenen van een krediet of de administratie van brandstoflevering is opgenomen.

Verwacht werd dat de Belgische administratie deze standpunten zou overnemen en becommentariëren in een nog te publiceren circulaire. Deze is nu gepubliceerd, maar de administratie neemt toch een soepelere houding aan.

Zo aanvaardt ze dat de tankkaartmaatschappij wel degelijk de brandstof aan- en verkoopt (commissionairsprincipe) als:

  • de tankkaartmaatschappij voorafgaand aan de afname van de brandstof door de tankkaarthouders een overeenkomst heeft afgesloten met de brandstofleveranciers, waarbij de voorwaarden voor de afname van de brandstoffen zijn opgenomen (onder andere prijskortingen, identificatie van de tankstations die gedekt worden door de overeenkomst, wijze van betaling, duur van de overeenkomst, enzovoort); én
  • de brandstofmaatschappijen de brandstofleveringen factureren aan de tankkaartmaatschappij die op haar beurt deze brandstofleveringen aan de tankkaarthouders factureert.

En uiteraard is het commissionairsprincipe ook van toepassing op de brandstofleveringen als voldaan is aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in voormeld richtsnoer van het btw-comité.

In de andere dan de hiervoor vermelde gevallen is het commissionairsprincipe niet van toepassing op de brandstofleveringen en verricht de tankkaartmaatschappij een van btw vrijgestelde kredietverlening voor de tankkaarthouders (artikel 44, § 3, 5° Wbtw) en worden de brandstoffen rechtstreeks geleverd door de brandstofleveranciers aan de tankkaarthouders.


Fisconetplus, circulaire 2024/C/18, 27 februari 2024

Verklaring verkoper en inschrijvingsbewijs voertuig nodig om margeregeling toe te kunnen passen op de wederverkoop

Wederverkopers van tweedehandse voertuigen kunnen de in artikel 58, § 4 Wbtw voorziene bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge onder de daarin gestelde voorwaarden toepassen. Artikel 58, § 4, 2° Wbtw stelt als één van deze voorwaarden dat het moet gaan om goederen die aan de btw-plichtige wederverkoper binnen de Gemeenschap zijn geleverd:

  • door een niet-belastingplichtige; of
  • door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens artikel 44, § 2, 13°, is vrijgesteld; of
  • door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens artikel 56bis, en het een bedrijfsmiddel betreft; of
  • door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de onderhavige bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de belasting.

Ingevolge een controle bij een btw-plichtige wederverkoper van tweedehandse voertuigen verwerpt de fiscus de toepassing van de bijzondere margeregeling omdat onvoldoende bewijs wordt voorgelegd dat aan voormelde voorwaarde is voldaan. Voor sommige aankopen legt de btw-plichtige namelijk enkel inschrijvingsbewijzen voor van de betrokken voertuigen, maar geen attesten waarin de verkopers verklaren dat zij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting hebben kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel.

De rechtbank in eerste aanleg (Gent dd. 02.05.2022) aanvaardde de toepassing van de winstmargeregeling en verminderde de door de fiscus opgelegde boete van 200% naar 100%. De fiscus tekende beroep aan tegen dit vonnis.

Het hof van beroep benadrukt, met verwijzing naar het Hof van Cassatie (F.15.0050.N dd. 20.01.2017), dat het wel degelijk de btw-plichtige is die de winstmargeregeling wil toepassen, die voormeld bewijs moet leveren. Essentieel daarbij is dat zijn leverancier de juiste hoedanigheid had en verklaart hij dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel.

Het volstaat niet dat iemand die op een aankoopborderel wordt vermeld als leverancier, ook bevestigt te voldoen aan de voorwaarden van artikel 58, § 4, 2° Wbtw. Tenzij tegelijk het bewijs voorligt dat het betreffende voertuig ook op naam van die leverancier bij de directie voor de inschrijving van de voertuigen was ingeschreven, wat een document is dat bevestigt dat de verkoper werkelijk de titularis was van het voertuig.

Waarom de rechter in eerste aanleg de margeregeling toch aanvaardde enkel op basis van de inschrijvingsbewijzen, is voor het hof niet duidelijk. De voorlegging van het inschrijvingsbewijs is enkel nuttig in combinatie met voormelde verklaring van de leverancier van de wederverkoper. Met het inschrijvingsbewijs kan worden bevestigd dat de verkoop daadwerkelijk uitgaat van iemand die het concrete voertuig op zijn naam had staan (en geacht wordt er eigenaar van te zijn geweest).

Volgens het hof heeft de wederverkoper door het gebrek aan een combinatie van het voormeld attest met een eigendomsbewijs (zoals het inschrijvingsbewijs op naam van de leverancier) het vereiste bewijs voor de toepassing van de winstmargeregeling niet geleverd.

De boete van 200% moet volgens het hof behouden blijven om er zeker van te zijn dat de sanctie haar doelstellingen bereikt.


HvB Gent, rolnr. 2022/AR/1217, 28 november 2023

Btw-aangifte eerste kwartaal 2024 voor forfaitaire btw-plichtige caféhouder

Met ingang van 1 januari 2023 gelden voor het forfait voor caféhouders de volgende aanpassingen:

  • aangenomen verlies op elk bier in vaten: 7,5% (in liters) (i.p.v. 4%) van de hoeveelheid bier in vaten aangekocht gedurende een trimester;
  • voor kleine caféhouders:
    • bier in vaten: inkoopprijs x 2,64% (i.p.v. 2,55%)
    • bier in flessen en andere koude en warme dranken: inkoopprijs x 3,28% (i.p.v. 3,2%).

Die wijzigingen werden met terugwerkende kracht naar 1 januari 2023 opgenomen in het KB 2bis  (KB dd. 17.12.2023, B.S. dd. 22.12.2023).

De fiscus laat weten dat btw-plichtigen die de forfait voor caféhouders toepassen in hun btw-aangifte voor het eerste kwartaal 2024 rekening moeten houden met deze nieuwe coëfficiënten en voor zover zij in (een deel van) 2023 nog de oude coëfficiënten hebben toegepast, de nodige regularisaties van de verschuldigde btw op basis van de gewijzigde coëfficiënten moeten opnemen.


FOD Financiën, nieuwsbericht, 15 februari 2024

Heropgerichte zolderverdieping is nieuwe oppervlakte

Op de omvorming en uitbreiding van een rechthoekige bungalow met een laag puntdak werd volgens de fiscus ten onrechte het verlaagd btw-tarief van 6% voor verbouwingen toegepast (rubriek XXXI, tabel A KB 20). Voor de toepassing van dit verlaagd btw-tarief moeten onder meer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

  • de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
  • de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt.

Het hof benadrukt dat het aan de bouwheer (bij wie de bijkomende btw van 15% werd gevorderd) is om het bewijs te leveren dat het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing is, en niet het normale btw-tarief van 21%.

Het hof herinnert aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie (F.19.0069.N dd. 25.06.2020 en F.21.0053.N dd. 21.10.2022) volgens dewelke er sprake is van een verbouwing (wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven) als de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

Anderzijds is er sprake van nieuwbouw als de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Dit is eveneens het geval wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen.

Als een gebouw wordt uitgebreid, dan aanvaardt de fiscus dat het om een verbouwing gaat als de oude oppervlakte na de werken nog betekenisvol is, wat inhoudt dat die oude behouden oppervlakte meer dan de helft moet bedragen van de totale oppervlakte na de verbouwing, en de uitbreiding niet onafhankelijk van de het oude gedeelte kan functioneren en er één geheel mee vormt.

Volgens het hof is dat administratieve standpunt (circulaire 6 dd. 22.08.1986) al een tolerantie op de wettekst van het voormeld verlaagd btw-tarief. En ook al is een circulaire niet bindend en is er in de wet geen oppervlaktecriterium opgenomen, is het voor het hof aannemelijk dat voor het verlaagd btw-tarief de uitbreiding beperkt moet blijven.

Het hof besluit dat er in deze zaak sprake is van nieuwbouw en niet van een verbouwing. De oppervlakte van de bestaande woning, voorafgaand aan de werken, bedroeg 117,84 m². Na de omvormings- en uitbreidingswerken bedraagt de totale oppervlakte 335,64 ², wat dus meer dan een verdubbeling is.

De zolderverdieping, die volgens het hof bij gebrek aan het bewijs van het tegendeel voor de werken geen bruikbare oppervlakte had, wordt dusdanig omgevormd dat er volgens het hof sprake is van nieuwe oppervlakte. De nok van het oorspronkelijke dak was slechts 1,30 m hoger dan de dakgoot. De ruimte onder het dak werd tot op de vloerplaat afgebroken. De bestaande (lage) puntgevels van de verdieping werden volledig gesloopt en vervangen. Er waren geen binnenmuren op de zolderverdieping en de vloerplaat werd aangevuld over (een deel van) de vernieuwde achterbouw op het gelijkvloers.

Die verdieping werd heropgericht met nieuwe zijgevels, een nieuw dakgebinte en hoog puntdak met vier dakkapellen, nieuwe binnenmuren, nieuwe nutsvoorzieningen enzovoort en bestaat uit drie slaapkamers, een badkamer, een dressing, een nachthal en ruimte voor technieken. Volgens het hof rust deze nieuwe verdieping bovendien op de bestaande (gedeeltelijk ontmantelde) en versterkte structuur enerzijds en, onmiskenbaar, op de nieuwe achterbouw van de woning anderzijds. Bij dergelijke uitbreiding is de aanvankelijke structuur ondergeschikt geworden aan de nieuwe en is er sprake is van nieuwbouw. Die conclusie wordt nog versterkt door het feit dat op het gelijkvloers de bestaande structuren versterkt werden (poutrels, onderschoeiingswerken aan de bestaande fundering en de nieuwe funderingen voor de uitbreiding van het gelijkvloers waarop de nieuwe verdieping deels rust).


HvB Gent, rolnr. 2022/AR/1198, 19 december 2023

Verbeterend stuk volgens Cassatie ook verplicht bij teruggaaf ten onrechte aangerekende btw

​Een rijschool rekende tot 2007 btw aan op de rijopleidingen voor het rijbewijs C (vrachtwagens) en D (autobussen). Zij reikte telkens een factuur uit, in het merendeel aan btw-plichtigen en in mindere mate aan particulieren en openbare instellingen.

In 2007 beroept die onderneming zich op de toen geldende btw-vrijstelling voor beroepsopleiding (artikel 44, § 2, 4° Wbtw). Zij vraagt vervolgens de btw terug die ze over die opleidingen heeft gefactureerd in de periode 2004-2005. Zij reikt echter geen verbeterende stukken uit met als gevolg dat de fiscus de teruggaaf weigert. De onderneming zelf is in de veronderstelling dat de uitreiking van verbeterende stukken niet verplicht is.

Artikel 77, § 1, 1° Wbtw voorziet in een teruggaaf van de btw die het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is. Artikel 79, § 1, 1ste en 2de lid Wbtw vereist dat aan de medecontractant een verbeterend stuk moet worden uitgereikt als de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7° Wbtw. Omdat hier niet naar 1° wordt verwezen, is de rijschool van mening dat er geen verbeterend stuk moet worden uitgereikt.

Zowel de rechtbank in eerste aanleg (Brugge dd. 30.09.2019) als het hof van beroep (Gent dd. 16.02.2021) stellen dat het ten onrechte aanrekenen van btw op een factuur beschouwd moet worden als een vergissing in de factuur zoals bedoeld in voormeld artikel 79 Wbtw. Het uitreiken van een verbeterend stuk is dan ook een vereiste voor de teruggaaf van de btw die het wettelijk verschuldigde bedrag te boven gaat.

Ook het Hof van Cassatie komt tot hetzelfde besluit. Als vergissing begaan bij het factureren of bij het opmaken van de aangifte wordt onder meer beschouwd, het belasten met btw van een handeling die niet belastbaar is of die van btw is vrijgesteld. Als teruggaaf wordt gevraagd van de ten onrechte gefactureerde btw, dan moet de leverancier of de dienstverrichter aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven btw. Als de medecontractant deze btw heeft afgetrokken, dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde btw met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.


Onrechtmatige verrijking

Het hof van beroep wees in zijn uitspraak op de mogelijke onrechtmatige verrijking door de autorijschool die zich in feite de door de klanten betaalde btw gewoon toe-eigende. Het Hof van Cassatie gaat als dusdanig niet in op de problematiek van de onrechtmatige verrijking, enkel op het naleven van de modaliteiten van de teruggaaf.

Volgens de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie moeten de lidstaten zelf de voorwaarden vaststellen voor teruggaaf van ten onrechte aangerekende btw (bij gebrek aan dergelijke bepalingen in de btw-richtlijn), maar ze moeten daarbij het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen. Dat betekent dat die modaliteiten de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten, in casu de teruggaaf, niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.

Op basis van deze rechtspraak zou men kunnen argumenteren dat de uitreiking van het verbeterend stuk niet vereist is als de klant een particulier zou zijn die de btw niet kan aftrekken. De minister antwoordde al (vraag nr. 271 dd. 01.03.2021) dat de fiscus in een B2C-omgeving die voorwaarde ook niet langer stelt, voor zover het gaat om een handeling met een particulier zonder dat een factuur werd uitgereikt omdat die uitreiking niet verplicht was.

Maar in deze zaak heeft de autorijschool ook aan de particuliere klanten een factuur uitgereikt, waardoor volgens het voormelde antwoord van de minister er toch een verbeterend stuk moet worden uitgereikt.

Verder stelde de minister in zijn antwoord dat als wordt aangetoond dat de prijzen ‘btw inbegrepen’ werden vastgesteld en aan de klanten een bedrag werd aangerekend zonder dat de aangerekende btw afzonderlijk werd vermeld, dan moet de btw-plichtige niet aantonen dat hij de te veel aangerekende btw aan zijn klanten heeft terugbetaald, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen. Dus volgens de minister zijn antwoord zou de autorijschool de ten onrechte aangerekende btw aan de particuliere klanten moeten terugstorten.


Cassatie, rolnr. F.21.0094.N, 23 november 2023

Rekeninguittreksels btw-rekening-courant terug beschikbaar

Vanaf februari 2024 maakt de fiscus opnieuw alle btw-rekeninguittreksels aan. De beslissing van 5 mei 2023 om alleen in bepaalde gevallen btw-rekeninguittreksels aan te maken, geldt niet meer.

Het aanmaken kan 6 tot 8 weken duren. De actuele stand kan je raadplegen via MyMinfin onder ‘Mijn professionele toepassingen’.


FOD Financiën, nieuwsbericht, 1 februari 2024

Mag het verlaagd btw-tarief voor het verstrekken van accommodatie afhangen van het hebben van een classificatiecertificaat?

Een in Bulgarije gelegen appartementencomplex dat eigendom is van particulieren, wordt ingevolge een overeenkomst beheerd door de Bulgaarse firma Valentina Heights, waarbij die laatste de appartementen in naam van de eigenaars beheert, onderhoudt en aan derden verhuurt. Op de ontvangsten droeg de vennootschap 9% btw af, het btw-tarief dat in Bulgarije van toepassing is op door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantieaccommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken.

De Bulgaarse toerismewet voorziet dat de activiteit van hotel- of restaurantbedrijf op het Bulgaarse grondgebied enkel mag worden uitgeoefend in toeristische inrichtingen die overeenkomstig deze wet zijn ingedeeld in een classificatiecategorie. Omdat de classificatie van het voormelde complex werd ingetrokken in maart 2019, en er pas een nieuwe classificatie werd afgegeven in september 2021, vordert de Bulgaarse fiscus de btw aan het normale tarief op de ontvangsten gedurende deze periode waarin de classificatie was ingetrokken.


Vrijgestelde onroerende verhuur of belaste accommodatie?

Artikel 135, 2, a) btw-richtlijn stelt dat van de btw-vrijstelling voor onroerende verhuur onder meer is uitgesloten, het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen.

Volgens dit artikel beschikken de lidstaten inderdaad over een beoordelingsmarge bij de vaststelling over welke accommodatieverstrekkingen btw moet worden geheven in afwijking van de btw-vrijstelling voor onroerende verhuur. Belangrijk in dit geschil is dat de fiscus btw vordert aan het normale in plaats van het verlaagd btw-tarief, want daaruit blijkt dat het volgens de Bulgaarse fiscus wel degelijk gaat om het verschaffen van accommodatie en niet om een van btw vrijgestelde onroerende verhuur. Deze kwalificatie staat in dit geschil dus niet ter discussie.


Verlaagde btw voor accommodaties?

Op basis van punt 12 van de bijlage III bij de btw-richtlijn kunnen de lidstaten een verlaagd btw-tarief toepassen op door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantie-accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken.

Volgens het Europese Hof van Justitie moet het begrip accommodatie voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief op dezelfde wijze worden ingevuld als voor de uitzondering op de btw-vrijstelling voor onroerende verhuur. Artikel 135, 2, a) btw-richtlijn en punt 12 van de bijlage III bij de btw-richtlijn gebruiken namelijk vergelijkbare bewoordingen.

Voor het selectief kunnen toepassen van een verlaagd btw-tarief moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:

  • enkel concrete en specifieke aspecten van de betreffende categorie van diensten worden afzonderlijk in aanmerking worden genomen;
  • het beginsel van fiscale neutraliteit wordt in acht genomen.

Vormt de accommodatie in geclassificeerde inrichtingen een concreet en specifiek aspect van de categorie ‘door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie’? Daarvoor moet volgens het Hof onderzocht worden of het gaat om een dienst die als zodanig kan worden geïdentificeerd los van de overige diensten van deze categorie (accommodatie in een niet-geclassificeerde inrichting) (zie C-454/12 en C-455/12 dd. 27.02.20214).

Uit de informatie die werd verstrekt, blijkt volgens het Hof dat uit het Bulgaarse juridische kader voortvloeit dat alle inrichtingen die in Bulgarije accommodatie verstrekken, geclassificeerd moeten worden op grond van de toerismewet en dat die inrichtingen zonder deze classificatie hun activiteit niet rechtmatig kunnen uitoefenen. Als de classificatieverplichting in Bulgarije geldt voor alle diensten van ‘door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie’ in de zin van punt 12 van de bijlage III bij de btw-richtlijn, dan kan de toepassing van het verlaagd btw-tarief niet beperkt worden tot concrete en specifieke aspecten (accommodatie  verstrekt door geclassificeerde inrichtingen) van deze categorie diensten (alle door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie). Maar de Bulgaarse rechter zal finaal moeten nagaan of de accommodatie in een geclassificeerde inrichting een concreet en specifiek aspect van dezelfde categorie (door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie) kan vormen.

Als de rechter zou besluiten dat dit het geval is, dan moet hij nagaan of de selectieve toepassing van het verlaagd btw-tarief op alleen maar accommodatieverstrekkende inrichtingen die zijn geclassificeerd op grond van de Bulgaarse toerismewet, al dan niet een schending inhoudt van het beginsel van fiscale neutraliteit, volgens hetwelk soortgelijke goederen of diensten die met elkaar concurreren, vanuit uit het oogpunt van de btw niet verschillend behandeld mogen worden. Of goederen of diensten soortgelijk zijn, moet volgens het Hof vooral beoordeeld worden vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument. Er is dan sprake van soortgelijke goederen of diensten als zij overeenkomstige eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen (waarbij het vergelijkbare gebruik de maatstaf is) en als de verschillen die zij vertonen de beslissing van de consument om het ene of het andere goed dan wel de ene of de andere dienst af te nemen, niet aanmerkelijk beïnvloeden (zie onder meer C-597/17 dd. 27.06.2019).

De Bulgaarse rechter moet dus nagaan of het bestaan van een classificatiecertificaat uit het oogpunt van de gemiddelde gebruiker kan leiden tot een verschil tussen de geclassificeerde en de niet-geclassificeerde accommodatie – waarbij elke soort kan beantwoorden aan andere behoeften van de gebruiker – en dus van doorslaggevend belang kan zijn wanneer die gebruiker beslist om van het ene dan wel van het andere type accommodatie gebruik te maken. Daarbij kan de rechter beoordelen of de modale consument eerder afgaat op het classificatiecertificaat, dan wel op andere elementen, die gemakkelijker kunnen worden geraadpleegd en regelmatig kunnen worden bijgewerkt, zoals ratings, foto’s en opmerkingen van andere klanten op onlineboekingsplatforms zoals die welke Valentina Heights gebruikt.


Dictum van het Hof

Artikel 98, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met punt 12 van bijlage III bij deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor accommodatie die wordt verstrekt door hotels en dergelijke inrichtingen, onderworpen is aan de verplichting voor een dergelijke inrichting om te beschikken over een classificatiecertificaat of een voorlopig classificatiecertificaat, wanneer deze regeling de toepassing van het verlaagde btw-tarief niet beperkt tot concrete en specifieke aspecten van de categorie van diensten die bestaan in accommodatie die wordt verstrekt door hotels of dergelijke inrichtingen, of wanneer die regeling de toepassing van dat tarief wel beperkt tot dergelijke concrete en specifieke aspecten, maar niet strookt met het beginsel van fiscale neutraliteit.


HvJ, C-733/22, Valentina Heights, 8 februari 2024

Projectontwikkelaar die alle publicitaire kosten draagt moet deel doorrekenen aan grondeigenaar als tegenprestatie voor het opstalrecht of het verzaken aan de natrekking

In het kader van de gesplitste verkoop van gebouw en grond, richt een btw-plichtige vennootschap op gronden van derden gebouwen op, en dit op basis van een opstalrecht of een verzaking aan het recht van natrekking. Die vennootschap recupereert niet alleen de btw geheven van de kosten die rechtstreeks verband houden met de constructies, maar ook de btw op alle publiciteitskosten/reclamediensten in verband met de projecten (grond en constructies) en de commissielonen van de makelaars die tussenkomen bij de verkoop van de projecten. Die kosten werden allemaal aan die vennootschap gefactureerd.

Volgens de fiscus is er sprake van wederzijdse handelingen. De diensten van publiciteit en verkoopbemiddeling hebben deels betrekking op de grondaandelen en in die mate heeft die vennootschap die diensten deels verstrekt aan die grondeigenaars, en dit bovendien ten bezwarende titel. Want de tenlasteneming van dat deel van die kosten is volgens de fiscus de tegenprestatie voor de vestiging van het opstalrecht of het verzaken aan het recht van natrekking door de grondeigenaar. Omdat de vennootschap op deze dienstverlening geen btw heeft afgedragen, vordert de fiscus deze btw en legt op het verschuldigde btw-bedrag een boete op van 20%.

Volgens de btw-plichtige blijkt uit geen enkel element dat de grondeigenaars enkel een opstalrecht geven of aan hun recht op natrekking verzaken omdat hij de kosten draagt van publiciteit en de commissies van de makelaars om de appartementen te kunnen verkopen. Evenmin blijkt volgens de btw-plichtige dat hij deze uitgaven uitsluitend zou dragen als tegenprestatie voor het opstalrecht of de verzaking aan het recht op natrekking.


Handeling ten bezwarende titel

Om te kunnen spreken van een dienst die ten bezwarende titel wordt verricht, moet er volgens de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaan waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor een aan de ontvanger verleende individualiseerbare dienst. Er is sprake van een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn in die zin dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht en omgekeerd.

De tegenprestatie voor een dienstverrichting kan bestaan in een andere dienstverrichting en er de maatstaf van heffing van zijn, op voorwaarde dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen die dienstverrichtingen en de waarde van die andere dienstverrichting in geld kan worden uitgedrukt.

Dat de partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij over en weer opeenvolgende prestaties worden uitgewisseld, is voor het hof duidelijk. De btw-plichtige krijgt de toelating om op gronden die hem ter beschikking worden gesteld, grootschalige residentiële constructies op te richten met het oog op de gezamenlijke verkoop van de constructies en de bijhorende grondaandelen. De btw-plichtige die als bouwheer het bouwproject leidt, is ook belast met het vermarkten van de appartementen met telkens als doel een aandeel van de constructie samen met een corresponderend grondaandeel te verkopen aan een door die btw-plichtige aangebrachte koper. Per verkoop rekent de btw-plichtige voor de door hem gedragen publiciteitskosten een bedrag aan van 250 euro aan de grondeigenaar.

Het effectief instaan voor de kosten van publiciteit en verkoopbemiddeling, is volgens het hof in hoofde van de btw-plichtige wel degelijk een daadwerkelijke, individualiseerbare tegenprestatie voor een aan hem verrichte dienst, met name het verkrijgen van het recht om op de ter beschikking gestelde gronden een grootschalig en in principe winstgevend bouwproject (dat haar tot de verkoop ervan eigen blijft) te realiseren. Omdat de verkoop van de constructies door de btw-plichtige steevast gepaard gaat met de verkoop van de bijhorende grondaandelen door de grondeigenaar, en omdat de terbeschikkingstelling van de gronden aan de btw-plichtige van in het begin is gericht op de verkoop van de grondaandelen, vormen deze prestaties volgens het hof een geheel van samenhangende handelingen. Dat de btw-plichtige haar eigen opstallen verkoopt en de kosten voor publiciteit en verkoopbemiddeling hun oorzaak ook daar in vinden, doet volgens het hof geen afbreuk aan deze vaststelling.

Het hof volgt de btw-plichtige niet in zijn stelling dat de publicitaire kosten enkel gericht zijn op de verkoop met btw van zijn opstallen, en dat zijn recht op btw-aftrek dat uit die verkopen voortvloeit onaangetast blijft omdat het voordeel dat de grondeigenaar daardoor geniet niet relevant en bijkomstig zou zijn. Het hof verwijst voor zijn standpunt naar de economische en commerciële realiteit. Die bestaat in een gezamenlijke globale opzet van de beide partijen om op gronden van de grondeigenaars een constructie op te richten met het oog op de systematische gezamenlijke verkoop van de opgerichte opstallen en de daarbij horende grondaandelen. Dit op basis van een overeenkomst waarbij:

  • de btw-plichtige het recht krijgt om op gronden die haar niet toebehoren appartementsgebouwen op te richten in ruil voor het zorgen voor de gezamenlijke verkoop van constructies en grondaandelen;
  • en, de grondeigenaars een opstalrecht verlenen of verzaken aan hun recht van natrekking op een perceel grond ten voordele van de btw-plichtige in ruil voor een latere zorgeloze en kosteloze verkoop van de grondaandelen.

De rechtspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak Vos aannemingen (C-405/19 dd. 01.10.2020) is volgens het hof in dit geschil niet relevant. Die rechtspraak gaat namelijk over het recht op aftrek en het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de gemaakte kosten enerzijds en de verkopen met btw van opstallen anderzijds. In deze zaak wordt niet betwist dat de kosten van publiciteit en verkoopbemiddeling een rechtstreeks en onmiddellijk verband hebben met de verkopen met btw van de constructies. De fiscus aanvaardt ook het recht op aftrek van de btw-plichtige. Maar dat verband sluit niet automatisch uit dat er ook een rechtstreeks verband zou bestaan tussen de door de btw-plichtige gemaakte kosten van publiciteit en verkoopbemiddeling enerzijds, en het verlenen van een opstalrecht of het verzaken aan het recht op natrekking door de grondeigenaars anderzijds.

Ook de verwijzing naar het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak Mitteldeutsche Hartstein-Industrie (C-528/19 dd. 16.09.2020) doet het hof af als niet ter zake. Daar had een btw-plichtige die een steengroeve exploiteert de kosten voor de heraanleg van een openbare weg naar die steengroeve ten laste genomen. Volgens de Duitse fiscus vormde die tenlasteneming de tegenprestatie voor een door een Duitse regionale overheid verleende vergunning tot exploitatie van die steengroeve. Een voorwaarde voor die vergunning was namelijk de heraanleg van de openbare weg.

Maar volgens het Hof was de tenlasteneming van die kosten niet de tegenprestatie voor het verkrijgen van die vergunning. Ten eerste was de openbare weg eigendom van de gemeente terwijl de vergunning werd toegekend door een andere regionale overheid. Bovendien is het toekennen van zo’n vergunning een eenzijdige handeling waarbij de heraanleg van de weg een noodzakelijke voorwaarde is (conditio sine qua non).

De tenlasteneming van de kosten van publiciteit en verkoopbemiddeling in het huidig geschil, is geen vergelijkbare noodzakelijke voorwaarde voor de verkoop van de appartementen. De vaststelling blijft dat het feit dat de kosten dienen voor de verkopen met btw van de appartementen, er niet aan in de weg staat dat deze ook de daadwerkelijke tegenprestatie vormen voor het verleende opstalrecht of de verzaking aan de natrekking in het kader van de overeenkomst tussen de btw-plichtige verkoper van de opstallen en de grondeigenaars.


Maatstaf van heffing

Het Europese Hof van Justitie omschrijft in haar rechtspraak de tegenprestatie, die voor btw de maatstaf van heffing vormt, als de subjectieve waarde die de btw-plichtige werkelijk ontvangt, dat wil zeggen de werkelijk ontvangen waarde, en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Die tegenprestatie moet wel in een geldbedrag uitgedrukt kunnen worden. Bestaat ze niet uit een tussen de partijen overeengekomen geldsom, dan moet zij, om subjectief te zijn, die zijn welke de begunstigde (de grondeigenaars) van de dienst die de tegenprestatie voor de goederenlevering vormt (de tenlasteneming van de kosten), toekent aan de diensten waarvan hij zich wil verzekeren (de zorgeloze verkoop), en moet zij overeenkomen met het bedrag dat hij (de grondeigenaar) bereid is daaraan te besteden.

In deze zaak heeft de fiscus de tegenprestatie (de tenlasteneming van de kosten) gewaardeerd door middel van een breuk met in de teller de verkoopprijs van de grond en in de noemer de verkoopprijs van de grond vermeerderd met de verkoopprijs van de constructies. Het door die breuk bekomen percentage vermenigvuldigde de fiscus met de door de btw-plichtige ten laste genomen kosten van publiciteit en verkoopbemiddeling.

De alzo bekomen waarde stemt volgens het hof overeen met  de subjectieve waarde van de door de btw-plichtige verrichte dienst, omdat het een concrete becijfering is, aan de hand van reële uitgaven, van datgene dat het de partijen klaarblijkelijk waard is geweest om in hun rechtsbetrekking de grondeigenaars te ontlasten van de verkoopbeslommeringen. Of anders gezegd, een berekening van de bedragen die de grondeigenaars hadden moeten spenderen als zij de verkoop van hun gronden (in dezelfde omstandigheden) zelf georganiseerd zouden moeten hebben.

Voor de opgelegde boete van 20% ziet het hof geen reden om deze te verminderen.


HvB Gent, rolnr. 2022/AR/874, 24 oktober 2023

Wetsontwerp verplichte e-invoicing aangenomen

De Kamer heeft donderdagavond 1 februari 2024 het wetsontwerp aangenomen dat vanaf 2026 voor heel wat B2B-gevallen in een verplichting zal voorzien om een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken. Belgische btw-plichtigen die zelf niet gehouden zijn tot deze factureringsverplichting zullen dergelijke gestructureerde elektronische facturen ook moeten kunnen ontvangen van hun leveranciers.

Om deze verplichting te kunnen invoeren heeft België nog de toestemming nodig van de Europese Raad, want de btw-richtlijn laat dergelijke verplichting niet toe. De vraag voor deze afwijking werd vorig jaar in oktober aan de diensten van de Europese Commissie bezorgd. Men gaat er van uit dat België deze toestemming zal krijgen omdat ook al een aantal andere lidstaten dergelijke afwijking hebben bekomen.

Onzorgvuldige werkgever kan gehouden zijn tot betaling van btw die werknemer op valse facturen heeft vermeld

Een werknemer van een Poolse vennootschap die een tankstation exploiteert, heeft kassatickets voor tankbeurten van klanten, kassatickets die werden verzameld en overhandigd door andere medewerkers van dat station in ruil voor een financieel voordeel, gefactureerd aan andere btw-plichtigen zodat die laatsten de op die facturen aangerekende btw konden recupereren. Dit gebeurde zonder toestemming en buiten medeweten van de directie van die vennootschap. Deze werknemer werd na vaststelling van deze feiten ontslagen.

De voormelde facturen werden niet opgenomen in de boekhouding van de vennootschap en de erop aangerekende btw werd door deze onderneming niet aangegeven in haar btw-aangiften, noch voldaan aan de Poolse fiscus. Ingevolge een controle vordert de Poolse fiscus de op deze facturen vermelde btw in hoofde van de vennootschap. Hij baseert zich hiervoor op artikel 203 btw-richtlijn. Dat stelt dat de btw verschuldigd is door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt.

Volgens de Poolse fiscus heeft de vennootschap niet de nodige zorgvuldigheid betracht om te voorkomen dat voormelde facturen werden uitgereikt. Het is net door het gebrek aan passend toezicht en adequate organisatie dat de voorzitter van de raad van bestuur van die vennootschap de valse facturering pas heeft ontdekt naar aanleiding van de uitgevoerde btw-controle. Bijgevolg kan de betrokken werknemer niet worden beschouwd als een derde ten opzichte van de vennootschap.

Het Hof benadrukt het doel van artikel 203 btw-richtlijn, met name het wegnemen van elk risico op derving van belastinginkomsten dat zou kunnen voortvloeien uit het bij de btw-richtlijn toegekende recht op aftrek. Dat artikel is dus van toepassing als er ten onrechte btw is gefactureerd en degene die de factuur heeft ontvangen, mogelijk zijn recht op aftrek van die aangerekende btw zal uitoefenen. Dat is in deze volgens het Hof ook het geval.

Voor de toepassing van artikel 203 btw-richtlijn is niet vereist dat die persoon die de btw vermeldt een btw-plichtige moet zijn opdat die btw verschuldigd zou zijn. Dat blijkt uit het gebruik van de term ‘eenieder’. Maar die term kan wegens zijn algemene en ongedifferentieerde karakter zowel verwijzen naar de btw-plichtige als naar de werknemer.

Eén van de doelstellingen van de btw-richtlijn is het vermijden van fraude en misbruik. Maar artikel 203 btw-richtlijn zo uitleggen dat de ogenschijnlijke uitreiker (de vennootschap wiens gegevens erop vermeld zijn en haar identiteit als btw-plichtige heeft laten misbruiken) van een frauduleuze factuur waarop de btw is vermeld, de persoon is die de btw vermeldt, is strijdig met dit doel als die ogenschijnlijke uitreiker te goeder trouw is en de fiscus de identiteit kent van de persoon die de valse factuur daadwerkelijk heeft uitgereikt. Het is in zo’n geval de daadwerkelijke uitreiker van de valse factuur die in het kader van artikel 203 btw-richtlijn moet worden beschouwd als de ‘persoon die de btw vermeldt’.

Maar uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat als er aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude zijn, dan kan een bedachtzame marktdeelnemer verplicht zijn om inlichtingen in te winnen over een andere marktdeelnemer bij wie hij goederen of diensten wil aankopen, en dit om zich te vergewissen van die laatste zijn betrouwbaarheid. Zo’n zorgvuldigheidsplicht rust volgens het Hof ook op een werkgever jegens zijn werknemer, zeker als deze werknemer belast is met de uitreiking van facturen waarop de btw in naam en voor rekening van zijn werkgever is vermeld.

Als de werkgever niet de redelijkerwijs vereiste zorgvuldigheid heeft betracht om de handelingen van zijn werknemer te controleren en zo te voorkomen dat die werknemer zijn identificatiegegevens als btw-plichtige kan gebruiken om valse facturen uit te reiken voor frauduleuze doeleinden, dan kan hij niet worden geacht te goeder trouw te zijn. De frauduleuze handelingen van de werknemer kunnen dan aan de werkgever worden toegerekend, en dan moet die werkgever worden beschouwd als de persoon die de btw op de valse facturen heeft vermeld.

Het is dan ook aan de Poolse rechter om een algehele beoordeling te verrichten van alle relevante gegevens teneinde vast te stellen of de vennootschap van wie de btw-identificatiegegevens door de werknemer zijn misbruikt om valse facturen uit te reiken voor frauduleuze doeleinden, de redelijkerwijs vereiste zorgvuldigheid heeft betracht om de handelingen van die werknemer te controleren. Als dat niet het geval  is, dan is die vennootschap op basis van artikel 203 gehouden tot voldoening van de op die facturen vermelde btw.


Dictum van het Hof

Artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een werknemer van een belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) een valse btw-factuur heeft uitgereikt waarbij de identiteit van zijn werkgever als belastingplichtige is gebruikt buiten diens medeweten en zonder diens toestemming, deze werknemer moet worden beschouwd als de persoon die de btw vermeldt in de zin van dat artikel, tenzij die btw-plichtige niet de redelijkerwijs vereiste zorgvuldigheid heeft betracht om de handelingen van die werknemer te controleren.


HvJ, C-442/22, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Lubline, 30 januari 2024

Concessies voor jachthavens toch verplicht aan btw onderworpen

De stad Antwerpen die op basis van artikel 6, 1ste lid Wbtw voor haar werkzaamheden of handelingen die zij als overheid stelt niet als btw-plichtige kwalificeert, beheert ook dokken, bruggen, sluizen, kaaimuren en gronden rondom haar haven alsook het toezicht op een vlot en veilig scheepvaartverkeer in deze haven.

Een onroerende verhuur is in principe van btw vrijgesteld. Maar op die vrijstelling zijn uitzonderingen voorzien, zoals de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens (artikel 44, § 3, 2de, vijfde streepje Wbtw). Volgens de stad is deze uitzondering ook van toepassing op het verlenen van concessies (in casu op 2 dokken) voor jachthavens en de terbeschikkingstelling van ligplaatsen in het stedelijk havengebied voor evenementschepen, rondvaartboten, schepen voor beroepsvaart, cruiseschepen, …

Op de vergoedingen die de stad Antwerpen ontvangt voor de voormelde diensten, draagt ze 21% btw af. De stad recupereert de btw die werd geheven op de recurrente kosten van deze activiteit. Ook trekt de stad de btw af die werd geheven op meerkosten voor de heraanleg van een brug die ontsluiting geeft aan enerzijds de boten gelegen in een van de betrokken jachthavens en anderzijds aan een aantal boten voor commerciële rondvaart. Het was van belang om bij de heraanleg ervan ervoor te zorgen dat deze brug geopend/opgehaald kon worden om de ontsluiting voor de voormelde boten te kunnen blijven garanderen, wat resulteerde in een meerkost voor de stad.

De stad Antwerpen vroeg aan de fiscus de bevestiging dat deze prestaties aan btw onderworpen zijn. Maar die laatste besliste dat het verlenen van de concessies met betrekking tot de twee dokken die als jachthaven voor de voormelde boten werden gebruikt, voor de btw moet worden aangemerkt als een door artikel 44, § 3, 2° Wbtw van btw vrijgestelde onroerende verhuur.

Voor de terbeschikkingstelling van de ligplaatsen in het stedelijk havengebied stelt de fiscus dat de stad Antwerpen handelt als overheid, en dat deze handelingen buiten de toepassing van de btw vallen op basis van artikel 6 Wbtw.

Hoewel voormelde beslissing enkel gaat over de vraag of de activiteiten wel of niet aan btw onderworpen zijn, is het resultaat van deze beslissing dat de stad voor de voormelde activiteiten geen recht op btw-aftrek heeft. Dat bevestigde de fiscus nadien nogmaals toen hij het standpunt innam dat de btw geheven van de meerkost van de heraanleg van voormelde brug niet aftrekbaar was voor de stad. De stad stapte tegen deze beslissingen naar de rechtbank.


Terbeschikkingstelling in het kader van de exploitatie van bevaarbare waterlopen

De rechtbank bevestigt dat op basis van artikel 135, 2, laatste lid btw-richtlijn de lidstaten bepaalde handelingen mogen uitsluiten van de vrijstelling voor onroerende verhuur. De Belgische wetgever heeft hiervan gebruik gemaakt voor de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens.

De fiscus meent uit de voorbereidende werken van de Wet van 31 juli 2009 te kunnen besluiten dat jachthavens niet onder deze uitzondering op de btw-vrijstelling vallen. Volgens de rechtbank blijkt uit die memorie van toelichting dat het inderdaad de bedoeling was om de concurrentiepositie van de Belgische logistieke operatoren te vrijwaren (om de concessies in het havengebied aan btw te blijven onderwerpen zoals dat ook het geval was vóór de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie waaruit bleek dat concessies op openbaar domein ook als een vrijgestelde onroerende verhuur kunnen kwalificeren). Maar daaruit mag niet besloten worden dat de betrokken uitzondering op de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkt moet worden tot bedrijfsterreinen. Die conclusie vindt geen steun in de wettekst zelf die veel ruimer verwoord is. Een ruime interpretatie van die wettekst blijkt volgens de rechtbank ook nog uit de antwoorden van de minister op twee parlementaire vragen die hierover werden gesteld (vragen dd. 11.05.2011 en 12.05.2011).

Op basis van artikel 44, § 3, 2de, vijfde streepje Wbtw is de uitzondering op de btw-vrijstelling voor onroerende verhuur van toepassing als:

  • de terbeschikkingstelling gebeurt in het kader van de exploitatie van havens, vlieghavens of bevaarbare waterlopen, en;
  • de onroerende goederen zich bevinden binnen het havengebied.

In het huidige geschil is dat volgens de rechtbank het geval.


Handeling als overheid

Artikel 6 Wbtw voorziet dat openbare besturen in de regel niet als btw-plichtige worden aangemerkt voor de handelingen die ze als overheid verrichten. Maar datzelfde artikel somt een reeks van handelingen op waarvoor een openbaar bestuur wel als btw-plichtige moet worden beschouwd, voor zover de ontvangsten uit de activiteit niet van geringe omvang zijn. Een van die activiteiten is het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens.

Omdat de fiscus geen enkel argument aanbrengt met betrekking tot een geringe omvang van de ontvangsten, beslist de rechtbank dat de stad wel degelijk als btw-plichtige handelt voor het aanbieden van ligplaatsen tegen een liggeld.


Btw-aftrek

Nadat de rechtbank in een tussenvonnis (dd. 18.10.2022) besliste dat de stad Antwerpen voor het verlenen van de concessies voor de jachthavens en het aanbieden van de ligplaatsen als btw-plichtige met recht op aftrek handelt, is de vraag in welke mate de btw op de kosten van de heraanleg van de brug aftrekbaar is. Daarvoor moeten de partijen bijkomende stukken indienen.

Maar de partijen komen overeen dat de btw op de meerkosten van de heraanleg van die brug deels aftrekbaar is. Een akkoord dat de rechtbank bekrachtigt. De meerkosten voor het beweegbaar maken van de brug bedragen 58% van de totale kost van de heraanleg. Omdat uit in logboeken bijgehouden gegevens blijkt dat als de brug wordt geopend dit voor 99% van de gevallen gaat om boten uit de jachthaven, komen de partijen overeen dat 57% (58% x 99%) van de btw op de meerkosten van de heraanleg van de brug aftrekbaar is.

Voor één factuur die uitsluitend betrekking heeft op het beweegbaar maken van de brug wordt 99% btw-aftrek overeengekomen.


Rb. Brussel, rolnrs.  21/609/A en 21/3358/A, 10 november 2023