Verrekenprijs kan tegenprestatie voor een belastbare dienst zijn

Gepubliceerd op 23 september 2025

De groep Arcomet is gespecialiseerd in de verhuur van hijskranen. Voor de intragroeptransacties hanteert de groep een transfer pricing-beleid volgens de OESO-richtlijnen, in het bijzonder de ‘Transactional Net Margin Method’ (TNMM). Op basis hiervan moest de Roemeense onderneming Arcomet Towercranes voor de jaren 2011, 2012 en 2013 een vergoeding betalen aan de Belgische groepsvennootschap Arcomet Service NV. De winstmarge van de Roemeense vennootschap oversteeg voor die jaren een bepaald percentage waardoor de Belgische vennootschap correctiefacturen stuurde om die overwinst terug te vorderen. Dit kaderde in een in januari 2012 gesloten overeenkomst waarbij beide partijen zich ertoe verbonden om een aantal prestaties ten behoeve van de andere partij te verrichten. De Belgische onderneming moet instaan voor het gros van de commerciële verantwoordelijkheden (zoals de strategie en de planning, de onderhandelingen over (raam)overeenkomsten met derde leveranciers, de onderhandelingen over de voorwaarden van de financieringsovereenkomsten, de engineering, de financiën, het centrale beheer van het wagenpark en het kwaliteits- en veiligheidsbeheer) en draagt de belangrijkste aan de economische activiteit verbonden risico’s. De Roemeense onderneming verbindt zich ertoe alle voor de uitoefening van haar activiteit noodzakelijke producten te kopen en in bezit te hebben, en verantwoordelijk te zijn voor de verkoop en de verhuur van deze producten alsmede voor de dienstverlening.

De Belgische vennootschap reikt de facturen voor de overwinst uit zonder btw. De Roemeense vennootschap verlegt in haar btw-aangifte Roemeense btw op deze aankoopfacturen, en brengt deze ook in aftrek. De Roemeense fiscus weigert deze aftrek omdat de Roemeense onderneming niet kon aantonen dat er daadwerkelijk diensten waren ontvangen of dat deze diensten werden gebruikt voor haar belastbare handelingen.

De Roemeense rechter die over dit geschil moet oordelen wil in eerste instantie van het Europese Hof antwoord op de vraag of een verrekenprijs binnen een concern, die wordt berekend op basis van de winstmarge van een werkmaatschappij, kan worden beschouwd als een tegenprestatie voor een dienst die is onderworpen aan btw.


Dienst ten bezwarende titel

Het Hof herhaalt haar rechtspraak dat een dienst maar aan btw onderworpen kan zijn als die ten bezwarende titel wordt verricht door een btw-plichtige (artikel 2, lid 1, c) btw-richtlijn). Om van een dienst ’ten bezwarende titel’ te kunnen spreken, moet er een rechtstreeks verband bestaan tussen de verrichte dienst en een werkelijk door de btw-plichtige ontvangen tegenprestatie. Dat is het geval als er tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor een aan de ontvanger verleende individualiseerbare dienst.

Het is aan de Roemeense rechter om te oordelen of hiervan sprake is, maar het Hof mag op basis van de gegevens van het dossier aan die rechter nuttige aanwijzingen ten aanzien van het Unierecht verschaffen.

Voor het Hof is het duidelijk dat er een rechtsbetrekking bestaat tussen de verrichter en de ontvanger waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld. De door de Belgische onderneming ontvangen vergoedingen vormen de werkelijke tegenwaarde voor de door haar verrichte diensten die aan de Roemeense onderneming een concreet voordeel verschaffen omdat ze een invloed hadden op de winstmarge van de Roemeense onderneming door de besparingen die deze daardoor kon realiseren, dan wel vanwege de verbetering van de dienstverlening aan de eindafnemers.

Dat de vergoeding enkel dient om de winstmarge van de Roemeense onderneming volgens de OESO-richtlijnen aan te passen, verandert volgens het Hof niets aan die conclusie. Bij de beoordeling of een dienst ten bezwarende titel wordt verricht, moet rekening gehouden worden met alle feitelijke elementen en de economische en commerciële realiteit. Een verrekenprijs kan volgens het Hof wel degelijk de werkelijke tegenwaarde vormen voor een verrichte dienst.

Het Hof weerlegt ook dat de vergoeding onzeker zou zijn waardoor het rechtstreeks verband met de verrichte dienst wordt opgeheven. Het overeengekomen bedrag (de verrekenprijs) is weliswaar variabel en afhankelijk van het resultaat van de Roemeense onderneming, maar ze is niet vrijwillig of willekeurig, noch moeilijk kwantificeerbaar of onzeker. De berekening van de vergoeding is vooraf in de overeenkomst volgens nauwkeurige criteria vastgesteld, zodat die vergoeding als zodanig niet onzeker is. Deze situatie is niet te vergelijken met de situatie waar een passant vrijwillig geld geeft aan een straatmuzikant (zaak Tolsma, C-16/93 dd. 03.03.1994) of een btw-plichtige die prijzengeld wint door met een paard deel te nemen aan een wedstrijd (zaak Bastova, C-432/15 dd. 10.11.2016).

En dat de Belgische onderneming aan de Roemeense onderneming een vergoeding verschuldigd is als die laatste haar winstmarge onder een bepaald percentage blijft, doet volgens het Hof niet ter zake. Het geschil dat hier aan het Hof wordt voorgelegd heeft betrekking op de omgekeerde situatie die in de overeenkomst is vastgelegd.


Het recht op btw-aftrek

Als er inderdaad Roemeense btw verschuldigd is op het bedrag betaald aan de Belgische onderneming, mag de Roemeense onderneming deze btw dan aftrekken, ook al vermelden de facturen niets over de aard van de diensten, het aantal gepresteerde uren, het gebruikte personeel en materiaal en de berekeningsmethode voor de tarieven?

Het Hof herinnert aan haar rechtspraak dat als de fiscus over alle gegevens beschikt die nodig zijn om na te gaan of aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek is voldaan, dan mag hij het recht op btw-aftrek niet weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet aan enkele formele voorwaarden voldoet waarin de nationale wetgeving voorziet. Om aan de materiële voorwaarde te voldoen is het belangrijk dat de dienst waarvoor om btw-aftrek wordt verzocht, daadwerkelijk is verricht en in een later stadium door de btw-plichtige afnemer is gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen. Of die dienst voor de afnemer noodzakelijk of opportuun is, is niet relevant.

Het is aan de Roemeense onderneming om de bewijzen voor te leggen die nodig zijn om te beoordelen of zij de betrokken diensten in een later stadium heeft gebruikt voor haar eigen belaste handelingen. De door de fiscus gevraagde bewijzen moeten noodzakelijk en evenredig zijn voor de beoordeling of aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan.


Dictum van het Hof

  1. Artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, moet aldus worden uitgelegd dat de vergoeding voor contractueel gespecificeerde concerndiensten die door een moedermaatschappij aan haar dochteronderneming worden verricht, die wordt berekend volgens een methode die wordt aanbevolen in de richtlijnen voor verrekenprijzen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en overeenkomt met het deel van de door die dochteronderneming behaalde winstmarge dat uitkomt boven 2,74 %, de tegenprestatie vormt voor een onder bezwarende titel verrichte dienst die binnen de werkingssfeer van de belasting over de toegevoegde waarde valt.
  2. De artikelen 168 en 178 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de belastingdienst van een belastingplichtige die om aftrek van voorbelasting verzoekt, verlangt dat hij andere documenten dan de factuur overlegt om aan te tonen dat de op deze factuur vermelde diensten zijn verricht en dat deze diensten zijn gebruikt voor de belaste handelingen van deze belastingplichtige, voor zover de overlegging van die bewijzen daarvoor noodzakelijk en evenredig is.

HvJ, C-726/23, Arcomet Towercranes,  4 september 2025


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?