Verhuur gebouw maakt van passieve een actieve holdingvennootschap

Gepubliceerd op 13 juli 2018

Marle Participations is een Franse holdingvennootschap van de Marle groep. Ze heeft tot doel het beheer van deelnemingen in verschillende dochterondernemingen van de groep, aan wie ze bovendien gebouwen verhuurde.
De Franse fiscus weigert de btw-aftrek op kosten die Marle Participations maakte in het kader van de verwerving van aandelen van drie vennootschappen, waarvan uiteindelijk slechts van één van die drie ondernemingen effectief deelnemingen werden verworven. 
Uit het aan het Hof voorgelegde dossier blijkt dat de enige diensten die Marle Participations heeft verstrekt aan de dochterondernemingen waarvoor zij de betrokken uitgaven heeft gedaan met het oog op de verwerving van de aandelen ervan, of die zij ten aanzien van deze dochterondernemingen heeft proberen op te zetten, bestonden in de verhuur van gebouwen.
De vraag waarover het Hof zich nu moet uitspreken is of de verhuur van een gebouw door een holdingvennootschap aan haar dochteronderneming beschouwd kan worden als een inmenging in het beheer van deze onderneming, wat een aan btw onderworpen economische activiteit vormt waarvoor recht op btw-aftrek bestaat en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Het Hof haalt in zijn antwoord heel wat vaste rechtspraak aan. Zo kan er maar sprake zijn van een belastbare dienst als er een transactie tussen partijen bestaat waarbij een prijs of een tegenwaarde wordt bedongen en er een direct verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde (C‑246/08 dd. 29.10.2009).
Het recht op btw-aftrek is dan weer een basisbeginsel van het btw-stelsel en kan in beginsel niet worden beperkt. Die aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw.
Maar om recht op btw-aftrek te hebben, moet:
 

de betrokkene uiteraard wel eerst een btw-plichtige zijn;
de kost gemaakt worden bij een andere btw-plichtige;
die gemaakte kost waarvoor aanspraak op btw-aftrek wordt gemaakt, door die btw-plichtige in een later stadium zijn gebruikt voor zijn eigen belastbare handelingen.

 
Een holdingvennootschap die enkel tot doel heeft deelnemingen te verwerven in andere ondernemingen, zonder zich direct of indirect te mengen in het beheer van die ondernemingen, onverminderd de rechten van deze holdingvennootschap als aandeelhouder of vennoot, is geen btw-plichtige bij gebrek aan het uitoefenen van een economische activiteit.
De inmenging door een holdingvennootschap in het beheer van de ondernemingen waarin zij deelnemingen heeft verworven, is wel een economische activiteit voor de btw, als die holdingvennootschap in het kader van die inmenging belastbare handelingen zoals hiervoor omschreven verricht, zoals administratieve, boekhoudkundige, financiële, commerciële, IT‑ en technische diensten ten behoeve van die dochterondernemingen.
De voorgaande opsomming is niet limitatief, dus het begrip ‘inmenging in het beheer van een dochteronderneming’ omvat alle door een holdingvennootschap ten behoeve van haar dochteronderneming verrichte handelingen die een economische activiteit vormen voor de btw.
Het Hof besluit dat de verhuur van een gebouw door een holdingvennootschap aan haar dochteronderneming beschouwd moet worden als een ‘inmenging in het beheer’ van deze onderneming, welke voor btw een economische activiteit vormt die recht op aftrek verleent van de btw geheven van de door de holdingvennootschap gemaakte kosten om deelnemingen in deze dochteronderneming te verwerven, als die dienstverlening:

duurzaam van aard is;
onder bezwarende titel wordt verricht;
met btw wordt belast (dus niet vrijgesteld is);
en, er een direct verband bestaat tussen de door de dienstverrichter verleende dienst en de van de begunstigde ontvangen tegenprestatie.

Het Hof bevestigt hiermee zijn vaste rechtspraak dat de kosten in verband met de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen, gemaakt door een holdingvennootschap die aan het beheer van die dochterondernemingen deelneemt en aldus een economische activiteit uitoefent, geacht moeten worden deel uit te maken van de algemene kosten van die holdingvennootschap, en dat de over die kosten voldane btw in beginsel volledig in aftrek moet worden gebracht. En het geeft tegelijkertijd een zeer uitgebreide aanvulling aan het begrip ‘beheer van ondernemingen’.

Dictum van het Hof
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet aldus worden uitgelegd dat de verhuur van een gebouw door een holding aan haar dochteronderneming een „inmenging in het beheer” van deze onderneming vormt, die moet worden beschouwd als een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) ontstaat over de door de holding gemaakte kosten ter verwerving van deelnemingen in deze dochteronderneming, wanneer deze dienstverlening duurzaam van aard is, zij wordt verricht onder bezwarende titel en zij wordt belast, wat betekent dat deze verhuur niet is vrijgesteld, en er een direct verband bestaat tussen de door de dienstverrichter verleende dienst en de van de begunstigde ontvangen tegenprestatie. De kosten in verband met de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen, gemaakt door een holding die aan het beheer van die dochterondernemingen deelneemt door aan hen een gebouw te verhuren, en die uit dien hoofde een economische activiteit uitoefent, moeten worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van die holding, en de over die kosten voldane btw moet in beginsel volledig in aftrek kunnen worden gebracht.
Ingeval een holding kosten heeft gemaakt voor de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen en zij slechts aan het beheer van bepaalde van deze dochterondernemingen deelneemt en met betrekking tot de andere dochterondernemingen geen economische activiteiten verricht, kunnen deze kosten daarentegen slechts voor een deel worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van deze holding, zodat enkel de btw die is voldaan over kosten die inherent zijn aan de economische activiteit, in aftrek kan worden gebracht. Welk gedeelte van de totale kosten inherent is aan de economische activiteit, wordt bepaald aan de hand van verdeelcriteria die worden vastgelegd door de lidstaten, die bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de opzet van genoemde richtlijn en derhalve in een berekeningsmethode moeten voorzien die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gemaakte kosten werkelijk toe te rekenen is aan de economische activiteit en welk deel aan de niet-economische activiteit. Het staat aan de nationale rechter om dit te verifiëren.
 
HvJ, C-320/17, Marle Participations, 5 juli 2018


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?