Vergoedingen RTC’s voor organisatie examens aan btw onderworpen

Gepubliceerd op 24 oktober 2016

Regionale Technologische Centra (RTC’s) ​willen de samenwerking tussen het onderwijs, bedrijfsleven en andere arbeidsmarktactoren activeren en verstevigen.
Hun activiteiten zijn divers. Het gaat bijvoorbeeld om:
 

terbeschikkingstelling van infrastructuur die in de scholen niet beschikbaar is;
het organiseren van bepaalde specifieke examens en de terbeschikkingstelling van voorbereidingsmateriaal voor die examens;
het organiseren van de zogenaamde 72-urenregeling met de VDAB waarbij elke leerling van een school voor 72 uren per schooljaar gebruik kan maken van de infrastructuur van de VDAB;
het verzorgen van nascholing (georganiseerd in functie van hun projecten) voor personeelsleden van onderwijsinstellingen, instructeurs van de VDAB en lesgevers Syntra.​

 
Volgens de minister kan het verstrekken van opleidingen aan leerkrachten aangemerkt worden als beroepsopleiding vrijgesteld van de btw door artikel 44, § 2, 4° Wbtw. Met beroepsopleiding en -herscholing wordt volgens de administratie het onderricht beoogd dat direct tot doel heeft een vak of een beroep aan te leren evenals de in dat kader gegeven bijscholing, herscholing of permanente vorming. Bedoeld onderricht moet niet worden verstrekt gedurende een periode die overeenstemt met een school- of academiejaar. Zo kan de vrijstelling worden toegepast ongeacht de duur van de beroepsopleiding en -herscholing voor zover de betreffende opleiding wordt gegeven gedurende een periode die noodzakelijk is om tijdens de duur ervan effectief​ een beroep aan te leren of de bedoelde opleiding, bijscholing of herscholing te verwerven.
Wat de overige van de hiervoor opgesomde handelingen betreft, stelt de minister dat deze geenszins aangemerkt kunnen worden als vrijgesteld onderwijs. Evenmin genieten zij de vrijstelling als diensten die nauw samenhangen met vrijgestelde onderwijs. Het begrip “nauw met onderwijs samenhangende diensten en leveringen van goederen” in de zin van voornoemde vrijstelling beoogt in de eerste plaats de bijkomende handelingen die door de onderwijsinstellingen zelf worden verricht als nevenprestatie bij het vrijgestelde onderwijs. De nauw met onderwijs samenhangende handelingen die door een derde worden verricht kunnen slechts vrijgesteld zijn van de btw op voorwaarde dat die rechtspersoon uitsluitend met dat doel door een vrijgestelde onderwijsinstelling werd opgericht.
Voormelde kan ons inziens enkel beschouwd worden als een algemene richtlijn inzake de interpretatie van de vrijstelling voor onderwijsprestaties. De minister verwijst op geen enkel moment naar de mogelijke toepassing van de beslissing nr. E.T.110.943 van 30 maart 2006 waarin de fiscus de vrijstelling voor onderwijs aanvaardt in de relatie tussen de onderwijsinstelling en de onderneming of meer algemeen alle derden waarop die onderwijsinstelling een beroep doet om dat onderwijs te verstrekken.
Vr. & Antw. Kamer, 2014-2015, 54-016, 16 maart 2015, Vraag nr. 127, B. Pas, 22 januari 2015


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?