Rechtbank aanvaardt niet zomaar terugwerkende kracht van inbreng éénmanszaak in vennootschap

Gepubliceerd op 15 december 2016

Bij een onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, oordeelt de fiscus dat de omzetdrempel aanzienlijk is overschreven en vordert btw op de ontvangsten. De btw-plichtige zelf stelt dat de omzet die de fiscus in rekening neemt en waardoor de omzetdrempel voor de vrijstellingsregeling overschreven zou zijn, omzet is van zijn vennootschap waarin hij zijn activiteiten ondergebracht zou hebben.
De geviseerde omzet werd echter door de btw-plichtige natuurlijke persoon zelf gefactureerd, en dit in een periode voordat zijn btw-nummer werd stopgezet. Nergens werd uitdrukkelijk gesteld dat die omzet gefactureerd werd in naam en voor rekening van de vennootschap in oprichting.
Bovendien is de btw-plichtige die de btw op een factuur of als zodanig gelden stuk vermeld, gehouden die btw te voldoen aan de Schatkist.
Ook stelt het Hof dat artikel 11 Wbtw niet inhoudt dat de overnemer geacht wordt de hoedanigheid van de overlater​ verder te zetten. Dat blijkt nergens uit die wettekst, die enkel een overdracht van een algemeenheid of een bedrijfsafdeling onder bepaalde voorwaarden niet aan btw onderwerpt.
En dat die inkomsten in de vennootschap ook aangeven zouden zijn, belet niet dat de fiscus de btw kan heffen bij de natuurlijke persoon, die zich nog beroept op het rechtsbeginsel ” non bis in idem”. Maar aangezien de natuurlijke persoon niet twee maal op hetzelfde belast wordt, is er van een schending van dit beginsel geen sprake.
De fiscus heeft dan ook terecht de btw op de door de natuurlijke persoon btw-plichtige gefactureerde bedragen gevorderd.
HvB Brussel, 3 juni 2015, rol nr. 2011/AR/2446


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?