Geen herziening bij ongewilde leegstand van gebouw bestemd voor verhuur met btw

Gepubliceerd op 1 mei 2018

Imofloresmira is een Portugal gevestigde btw-plichtige met als maatschappelijk doel de aankoop, verkoop, verhuur en het beheer van onroerend goed dat bestemd is als woning, handelsruimte en voor gemengd gebruik. Bij een controle stelt de Portugese fiscus vast dat bepaalde delen van twee gebouwen waarvan Imofloresmira eigenaar is en waarvoor zij had gekozen de verhuur ervan aan btw te onderwerpen, gedurende meer dan twee jaar ongebruikt waren gebleven. Imofloresmira heeft de over die gedeelten afgetrokken btw niet herzien.
Volgens de Portugese fiscus had Imofloresmira de op de ongebruikte delen van de gebouwen afgetrokken btw moeten herzien.
Mag een lidstaat een herziening eisen van de oorspronkelijk op een onroerend goed afgetrokken btw, wanneer dat onroerend goed waarvoor gekozen werd het met btw te verhuren, geacht wordt niet langer door de btw-plichtige te worden gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen, omdat dit onroerend goed gedurende meer dan twee jaar ongebruikt is gebleven, ook al is aangetoond dat de btw-plichtige gedurende die periode heeft geprobeerd het te verhuren.
Het Hof antwoordt ontkennend op deze vraag.
Met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak stelt het Hof dat het recht op aftrek in beginsel verworven blijft ook al gebruikt de btw-plichtige naderhand, wegens omstandigheden buiten zijn wil, de goederen en diensten waarvoor btw werd afgetrokken niet voor belaste handelingen.
Een andere uitlegging van de btw-richtlijn zou in strijd zijn met het beginsel van de neutraliteit van de btw omdat die bij de fiscale behandeling van identieke investeringsactiviteiten kan leiden tot ongerechtvaardigde verschillen tussen:

enerzijds, ondernemingen die reeds belastbare handelingen hebben verricht, en
anderzijds, ondernemingen die door middel van investeringen proberen een aanvang te maken met activiteiten die belastbare handelingen zullen opleveren.

Ook zouden willekeurige verschillen ontstaan tussen laatstbedoelde ondernemingen onderling, voor zover de definitieve aanvaarding van de aftrek zou afhangen van de vraag of deze investeringen al dan niet tot belaste handelingen leiden.
Het Hof verwerpt het argument van de Portugese fiscus dat de opzegging van een voorheen gesloten huurovereenkomst waarvoor gekozen werd ze aan btw te onderwerpen, een wijziging is in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de afgetrokken btw in aanmerking zijn genomen waardoor de afgetrokken btw verhoudingsgewijs moet worden herzien (artikel 185, lid 1 btw-richtlijn).

Dictum van het Hof
De artikelen 167, 168, 184, 185 en 187 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de oorspronkelijk afgetrokken belasting over de toegevoegde waarde moet worden herzien op grond dat een onroerend goed, waarvoor het keuzerecht voor belastingheffing is uitgeoefend, wordt geacht niet langer door de belastingplichtige te worden gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen, wanneer dit onroerend goed gedurende meer dan twee jaar ongebruikt is gebleven, ook al is aangetoond dat de belastingplichtige gedurende die periode heeft geprobeerd het te verhuren.

HvJ, C-672/16, Imofloresmira​, 28 februari 2018


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?