Dan toch btw op doorrekening voor hetzelfde bedrag van repatriëringskosten door begrafenisondernemer

Gepubliceerd op 1 februari 2017

Een begrafenisondernemer doet voor de repatriëring van lijken beroep op een derde (buitenlandse onderneming) die deze prestatie op naam van de begrafenisondernemer factureert, met vermelding van de naam van de overledene. Op de doorrekening van deze kosten aan zijn opdrachtgevers, rekent de begrafenisondernemer, volgens de fiscus ten onrechte, geen btw aan.
De begrafenisondernemer die stelt dat het een doorrekening betreft van sommen voorgeschoten in naam en voor rekening van de klant welke ingevolge artikel 28, 5° Wbtw niet tot de maatstaf van heffing behoren, krijgt in deze gelijk van het Hof van Beroep. Alhoewel volgens het Hof normaal moet vaststaan dat de medecontractant, aan wie de kosten worden doorgerekend, effectief de juridische schuldenaar van deze kosten is, waarbij de leverancier enkel optreedt als een lasthebber die de betreffende kosten tijdelijk ten laste heeft genomen, heeft de administratie het criterium van de juridische schuldenaar in bepaalde gevallen minder strikt toepast. Dat is met name het geval voor bepaalde handeling verricht door begrafenisondernemers (beslissing E.T. 18.588 van april 1976). Omdat de fiscus hierbij de criteria inzake de voorschottenregeling niet strikt respecteert, moeten de kosten van de repatriëring in deze zaak, omdat ze voor hetzelfde bedrag worden doorgerekend, ook beschouwd worden als voorgeschoten sommen die niet tot de maatstaf van heffing behoren.
Het Hof van Cassatie verbreekt voormelde uitspraak omdat het Hof van Beroep zelf onder meer vaststelt dat:
§  de klanten in een rechtstreekse juridische verhouding moeten staan met de buitenlandse ondernemer die heeft ingestaan voor de repatriëring van het lijk, om te kunnen spreken van sommen voorgeschoten in naam en voor rekening van de klant welke ingevolge artikel 28, 5° Wbtw niet tot de maatstaf van heffing behoren
§  de begrafenisondernemer niet aantoont dat zijn klanten zelf de opdracht gaven aan de buitenlandse ondernemer tot repatriëring van de lijken
Door in dit geval te oordelen dat de kosten van repatriëring niet tot de maatstaf van heffing behoren om reden dat het criterium van de juridische schuldenaar op grond van de administratieve beslissing nr. E.T. 18.588 van april 1976 minder strikt wordt toegepast door de administratie en in voorliggend geval aan de toepassingsvoorwaarden van deze administratieve beslissing voldaan is, schendt de appelrechter artikel 159 Grondwet.
Cassatie, 2 september 2016, F.14.0196.N​


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?