Afbraak en heroprichting residentiële jeugdzorginstelling valt niet onder de 6% voor afbraak en heropbouw

Gepubliceerd op 26 januari 2024

In de 32 bij KB vastgelegde steden die een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van hun stedelijk beleid, geldt een verlaagd btw-tarief van 6% voor de afbraak en heropbouw van privéwoningen (rubriek XXXVII tabel A KB 20).

Een vzw is een erkende organisatie van bijzondere jeugdzorg met als doel de hulpverlening aan kinderen, jongeren en hun gezin, voornamelijk met betrekking tot de doelgroep waarbij men spreekt van problematische en verontrustende opvoedingssituaties. De vzw kwalificeert voor btw als door artikel 44, § 2 Wbtw vrijgestelde btw-plichtige.

Die vzw laat in Kortrijk enerzijds een centraal, multifunctioneel gebouw bestemd voor administratieve diensten en voor context- en dagbegeleiding voor jongeren en anderzijds een wooninrichting gericht op het permanent verblijf van jongeren, afbreken en heropbouwen.

Daarvoor vraagt de vzw de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% voor afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning in één van de 32 bij KB vastgelegde grote steden (rubriek XXXVII van tabel A KB 20). De fiscus weigert de toepassing van het verlaagd btw-tarief omdat het niet zou gaan om een privéwoning in de zin van voormelde bepaling en het gebruik ervan niet gericht zou zijn op privébewoning.

De vzw verwijst naar rubriek XXXI van tabel A KB 20 waarin is voorzien dat het verlaagd btw-tarief van 6% voor onroerende handelingen aan privéwoningen ook geldt voor onder meer jeugdbeschermingstehuizen die minderjarigen huisvesten. Die invulling van het begrip privéwoning moet volgens de vzw doorgetrokken worden naar het begrip privéwoning zoals bedoeld onder de rubriek XXXVII van tabel A KB 20 voor afbraak en heropbouw.

De fiscus wijst er in eerste instantie op dat de wetgever in die rubriek XXXI zelf uitdrukkelijk het onderscheid maakt tussen enerzijds woningen bestemd voor privébewoning en anderzijds woningcomplexen bestemd voor huisvesting. Ook voor huisvesting voor gehandicapten maakt de wetgever uitdrukkelijk dat onderscheid met de rubrieken XXXII en XXXIII van tabel A KB 20. En hetzelfde onderscheid maakt de wetgever in rubriek X van tabel B KB 20.

Voor afbraak en heropbouw verwijst rubriek XXXVII van tabel A KB 20 enkel naar woningen, niet naar woningcomplexen. De fiscus heeft dat zelfs benadrukt in zijn eerste commentaar op de invoering van het verlaagd btw-tarief voor afbraak en heropbouw in de 32 steden (Informaties en mededelingen dd. 22.06.2007). Daarin stelt hij bij de voorwaarde dat het gebouw moet worden gebruikt als privéwoning, dat de toelichtingen voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6% van rubriek XXXI van tabel A KB 20 mutatis mutandis van toepassing zijn, maar met dien verstande dat verblijfsinrichtingen voor bejaarden, internaten, jeugdbeschermingstehuizen, opvangtehuizen, en dergelijke residentiële voorzieningen die gemeubeld logies verstrekken, niet in aanmerking komen voor de toepassing van het tarief van 6% van rubriek XXXVII van tabel A KB 20.

Ook bij de tijdelijke uitbreiding naar het hele Belgische grondgebied van het verlaagd btw-tarief van 6% voor afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw, verduidelijkte de wetgever in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Programmawet van 20 december 2020 (Kamer, 2020-2021, DOC 55, 1662/001) dat de voorzieningen voor collectieve huisvesting met inbegrip van verschillende diensten die door een derde partij worden beheerd (zoals bejaardentehuizen of kostscholen) en die niet onder voormelde rubriek XXXVII vallen, evenmin onder de tijdelijke uitbreiding vallen.

Het Hof van beroep in Gent is het eens met de fiscus. Uit wat voorafgaat blijkt voldoende dat de bijlage bij KB 20 een divers geheel aan verwante, of zelfs gelijklopende uitdrukkingen en criteria bevat die niet steeds consequent doorgetrokken worden en die niet los kunnen gezien worden van het specifieke stelsel waarop ze betrekking hebben. Men mag er dus naar analogie niet van uitgaan dat de opname van onder andere de jeugdbeschermingstehuizen in rubriek XXXI van de tabel A KB 20 automatisch betekent dat deze ook als privéwoningen worden beschouwd voor de toepassing van rubriek XXXVII van tabel A KB 20, ook al wordt het gebouw in kwestie gebruikt voor daadwerkelijke huisvesting.

Verder stelt het hof nog vast dat in het betrokken geval de bewoning door de jongeren overkoepeld wordt door en niet losstaat van een centraal staand zorgtraject. De vzw toont niet aan dat er, zelfs in het betrokken residentiële gebouw dat een uitgesproken residentiële functie heeft, sprake is van een uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik voor (een collectieve vorm van) privébewoning onder begeleiding, binnen een eigen beslotenheid. Volgens het hof gaat het daarentegen om een zorginrichting met collectieve bewoning. Noch de onbetwist lange duur van sommige residentiële begeleidingstrajecten, noch de vaststelling dat sommige kinderen ook effectief gedomicilieerd worden op het adres van de vzw en de wooninrichting voor de jongeren mogelijks hun enige ‘thuis’ is, veranderen niets aan die vaststelling.

De fiscus heeft dan ook terecht de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% voor afbraak en de daarmee gepaard heropbouw in de 32 bij KB vastgelegde steden zoals voorzien in rubriek XXXVII van tabel A KB 20 geweigerd.


HvB Gent, rolnr. 2022/AR/1034, 31 oktober 2023


Heb je graag toegang tot de nieuwsberichten?

Bestaande klant?

Nieuwe klant?